Test
Download document

HENSEN, Herwig


Naar het einde toe versmalt de weg....II

God. Niet als antwoord uit de schrift

met starre teksten toegesloten.

(Roes en verbeelding van zeloten

die zich tot regels grift);

maar God als drang die mij doorwoelt,

als vonk die vlam slaat uit mijn asse,

meiregen die mijn ziel komt wassen,

lof die mij overspoelt.

En als gewicht dat ik verdráág,

en als geduld achter mijn raden.

God, in mijn leegte, als genade.

En zelfs dán nog als vraag.


Dit is een voze wereld van geweld

Dit is een voze wereld van geweld,
van ontrouw, leugen en moreel der horden;
alleen wie toeslaat en omhoog kruipt, telt,
en ‘t zal wel nimmer anders worden.

Torens van eenzaamheid en doof geluid

moet ik daar werend tegenoverstellen…..
om - buiten razernij van wrok en schuld -

mijn rozenstruiken af te tellen.


Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt:


Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt:

grond, wateren, beemden, bomen,

de vrucht die smaakt, de bloem die ruikt,

en 't land waarvan wij dromen.

Wat geven wij onze kinderen mee

behalve spreuken en kogels?:

niet eens het zuivere zout van de zee

en 't zingen van de vogels.


Maar wél het gif en het haastige kruid,

en haat die alom kan passen.

Sindsdien doven de lentes uit

en dorren vroeg de grassen.

Belofte slaat over in ongeduld

voor wie geen hoop meer bewaren.

Wat zijn wij onder zoveel schuld?:

bedriegers of barbaren?


ZOLANG NATUUR IN SAPPEN OPENSCHIET

Zolang natuur in sappen openschiet,

staan wij niet in de tijd verloren.

O boomgaarden, o velden, koren

vol bloesemsmaak en vogellied.

Beloften van geluk laten niet los.

O er weer telkens in geloven!

Spel van de knaap zijn in de hoven

en kinderjubel door het bos.

Er is geen bolster die niet barsten wil,

geen knop die niet rijk wil ontluiken.

Met alles wat het kan gebruiken,

herhaalt het leven zijn april.

Tastende lentes, waar wij, blind verblijd,

de hemel liggen op te drinken,

en weide zijn, en zalig zinken

in avonden oneindigheid,

u raden in de kleinste kiem die zwelt,

u meenemen als straks de herfsten komen,

en naar u omzien in mijn dromen

als winterkou dit hart ontstelt.


Alles is verband

Ik ben alleen. Doch alles is verband,

O klaar zijn dan, en dit verband ontdekken,

op ’t eigen Ik, het Andere betrekken,

en in’t Gedicht als in een puur kristal

een glimp te vangen van het Al.


Er zit een gier te wachten op mijn schouder

Vijvers, algen, wieren, lissen,

ratten, slijm en slijk en schurft,

en de stomheid van de vissen.

En dit hart dat niets meer durft

sinds ik, moe en aangevreten,

teer op binnenwaarts kwetsuur

van de schimmels op mijn veten

en de sintels in mijn vuur.

Twijfel drukt op mij zijn grendel;

leegte zuigt mij naar omlaag,

hoop wordt vlucht, geluk wordt zwendel.

Blijft de roekeloze vraag

die wel nimmer af zal laten,

of ik -- in mijn nietig lot --

sappen opzamel in raten

en ooit honing word in God.


Ik bén dit bos.

Ik bén dit bos. Hazen en herten

vieren in mij hun sprongen uit.

Ik ben beslotenheid en verten,

valstrik en buit.

Ik ben de nesten in de bomen,

de zomerwind, het bladgeruis,

en in het licht achter de zomen

het laatste huis.

Vanuit mijn angsten en mijn listen

ben ik de roep die hevig schreit,

want onder lagen lucht en misten stolt reeds mijn tijd.

Straks zal ik droefheid zijn van regen.

En tussen dag en avondrood

word ik de waanzin van de weengen*, dan de dood

* weengen: rietganzen?


Orpheus in dit Avondland

Dit avondland van regens en van misten,

wij wonen er, te midden van de sleur,

bedrukt met last, belaagd met listen,

zonder één Engel aan de deur.

Wij werken er, bedoelen en bedingen

(liefde der vrouw, belofte van het kind),

maar wat wij zijn en wat wij zingen

waait doof verloren op de wind.

Daar komt een winter waar wij niet meer weten

hoe nog een lente kiemt onder de sneeuw.

Van afkeer en onrust bezeten,

Wordt wanhoop tijger, panter, leeuw,


En wij slaan toe, verwoed, en slachten,

ons deerlijk uitputtend bij elke stoot

om een maal hol, nog slechts te wachten

op de Bacchanten van de dood.




Misschien 3

Wij strooien zaden uit en rapen stenen.

Wij dragen kruiken naar de zee,

maar in haar zout telt nergens mee

wat wij aan tranen wenen.

Wij schieten pijlen af. Maar wat wij raken,

ligt als papieren vogel op de hand.

Ach, overmoed en onverstand

waar wij nooit uit geraken!

Ach, zelfbedrog! Vanaf de laagste toren

geven wij eigen maten aan de tijd

en in de schoot der eeuwigheid

zijn wij niet eens geboren.


In elke pijn staan wij gespleten

In elke pijn staan wij gespleten.

Soms geven wij ons lijdzaam bloot,

omdat wij van het noodlot weten

en van ons einde in de dood.

En dan weer gaan wij bruggen leggen

naar ieder die ons troost en bindt:

de vrienden die beloften zeggen,

de vrouw, (de vrouwen), en het kind.

Want wij zijn leurders en leprozen

en steken grif de handen uit

- maar die ons zoet houden met rozen

zijn even ziek onder hun huid.


De wereld is een poel van haat en ongeloof

De wereld is een poel van haat en ongeloof.

Ik zak gevaarlijk in haar laster ten onder,

gesloten voor onschuld en wonder,

en voor beloften langzaam doof.

Iedere dag gooi ik opnieuw de gordels uit

waarin ik mij tot nog toe wist te redden,

ik durf op eigen inzet wedden,

en schrob de slijmen van mijn huid.

Al bewijst niets dat ooit de weerstand van mijn ik

volstaat om oevers naar mij toe te buigen.

Zo lang zal onzin aan mij zuigen

totdat ik in zijn modder stik.