Test
Download document

HOORNIK, Ed


Ik wil vandaag een reiskostuum gaan kopen

Ik wil vandaag een reiskostuum gaankopen

in ’t ‘Huis voor Heren’ in de Kalverstraat.

Terwijl ik bezig ben de jas te knopen

en in de spiegel kijk hoe ’t pak mij staat

- u kunt het sluiten, maar men draagt het open,

zegt de bediende, die mij gadeslaat -,

zie ik, terwijl ik achteruit wil lopen,

een vreemde man staan in een zwart gewaad.


- Wie is hij? denk ik, als hij door mij gaat

en voor mij is en in de spiegel staat,

als ik zijn ogen zie, van bloed belopen.

De achtertuin door, langs de vuilnishopen,

bang voor mezelf, ben ik in huis geslopen

en hang de spiegel om, waarin hij staat.


DE ZWAAN

Langzaam glijd ik tussen andre zwanen

altijd om hetzelfde eiland heen,

maar meest zit ik boven halfvergane

planten, in het oeverriet, alleen.

Wrede dingen teisteren het eiland:

broedermoord en twist en handgemeen;

soms duikt het gerucht op van een heiland,

maar de wolven huilen als voorheen.

Achter de gevangenenverblijven

breek ik, als de maan schijnt, uit het riet,

en ik laat mij naar een plek toedrijven,

waar men niets meer van de wereld ziet,

en dan lees ik wat de sterren schrijven,

en dan schrijf ik wat mijn ziel gebiedt.


Vergeefs

Langer blijf ik op reis.

Verder van huis sta ik stil:

heimwee dwarsboomt mijn wil.

Heengegaan om een gril,

om een bloem, om een wassende maan,

om de schijn van een ander bestaan,

ben ik alleen die ben,

voortlevend om het gemis,

dat er de drijfveer van is.


Ik ben de kleine dochter

Ik ben de kleine dochter van Jaïrus.
Ik lig hier op een veel te grote baar.
De dood zit in mijn ogen en mijn haar,
dat, nu de krul eruit is, zonder zwier is.

Ik mis mijn pop, die nu zij niet meer hier is,
slaapt als ik slaap, de vingers in elkaar.
Ik weet dat twee en twee te zamen vier is,
maar nu ik dood ben, is dat niet meer waar.

Waarom had ik daarstraks ook weer verdriet ?
Er zou een man die toveren kon, komen,
mij beter maken, maar toen kwam hij niet.

De mensen op het dak en in de bomen
gingen naar huis, maar ik blijf van hem dromen.
Morgen ben ik de eerste die hem ziet.


Te Middelharnis is een kind verdronken

Te Middelharnis is een kind verdronken:
sober berichtje in het avondblad
onder een hooiberg, die had vlam gevat;
nevens een zolderschuit, die was gezonken.

Zes dagen heeft het in mij nageklonken.
Op het kantoor vroeg men: zeg, heb je wat?
Ik werkte door, maar steeds weer hoorde ik dat:
te Middelharnis is een kind verdronken.

En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over 't water komt zijn kleine stem.

-Te Middelharnis- denk ik, 'k denk aan hem
en bed zijn hoofdje tussen hart en schouder,
en zing voor hem dit lichte requiem...


Overgang

Slaapkamerstilte, iedre morgen weer;
dag, die begint en niet is te ontwijken;
kleren, waarin mijn leven ligt te slijten;
lichaam, dat oud wordt, iedre hartslag meer;
gespiegeld hoofd, dat kijkt als ik mij scheer;
kamer daarachter die ook mee gaat kijken;
koude die ik dan langs mijn rug voel strijken;
wereld, waarin ik langzaam wederkeer:

gewone dingen uit mijn daagse doen:
huissleutel, zakmes, vulpen, paperassen,
die ik als een klein kind met name noem;
poeders voor als de pijn mij zou verrassen,
verzen van Achterberg en J.C. Bloem,
die als twee armen aan mijn lichaam passen.


Enkel verdriet

Enkel verdriet is van de ziel het wezen.
Een zelfde eenzaamheid sluit allen in.
De grootste liefde heeft geen andre zin
dan in elkanders oog het leed te lezen.
Gelijk het was in 's werelds oerbegin,
gelijk het is en altijd weer zal wezen;
de grootste liefde kan ons niet genezen:
een zelfde eenzaamheid sluit allen in.


Hebben en zijn

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.


Een vrouw beminnen

Een vrouw beminnen is de dood ontkomen,

weggerukt worden uit dit aards bestaan,

als bliksems in elkanders zielen slaan,

te zamen liggen, luisteren en dromen,

meewiegen met de nachtelijke bomen,

elkander kussen en elkander slaan,

elkaar een oogwenk naar het leven staan,

ondergaan en verwonderd bovenkomen.

‘Slaap je al?’ vraag ik, maar zij antwoordt niet;

woordeloos liggen we aan elkaar te denken:

twee zielen tot de rand toe vol verdriet.

Ver weg de wereld, die ons niet kan krenken,

vlakbij de sterren, die betoovrend wenken.

‘t Is of ik dood ben en haar achterliet.