Test
Download document

HUYGENS, Constantijn


Op een wieg

Wij woelen zonder end voor kinderen en erven,
En 't gaat ons in 't gewoel, gelijk 't gewiegde kind:
Wij woelen ons in slaap door allerlei bewind,
En vallen moe daarheen, met d' ogen toe, en sterven

Op de dood van Sterre

Of droom ik, en is 't nacht, of is mijn Ster verdwenen?
Ik waak, en 't is hoog dag, en zie mijn Sterre niet.
O Hemelen, die mij haar aangezicht verbiedt,
Spreek mensentaal, en zeg, waar is mijn Sterre henen?

De hemel slaat geluid, ik hoor hem door mijn stenen,
En zegt, mijn Sterre staat in 't heilige gebied
Waar zij de Godheid, waar de Godheid haar beziet,
En, voegt het lachen daar, belacht mijn ijdel wenen.

Nu Dood, nu snik, meteen verschenen en voorbij,
Nu, doorgang van een steen, van een gesteen ten leven,
Dun schutsel, staat nabij; 'k zal 't u te dank vergeven;

Kom, Dood, en maak mij korts van deze koortsen vrij:
'k Verlang in 't eeuwig licht tezamen te zien zweven
Mijn Heil, mijn Lief, mijn lijf, mijn God, mijn Ster, en mij.


Aan de jeugd

Besteedt den dieren tijd

Van Dagen en van Nachten,

Terwijl gij in uw’ krachten

En onversleten zijt.

Het schijnt, jong en ervaren

En is niet wel te paren;

Maar ’t is een valse schijn:

Men kan wel jong van jaren

En oud van uren zijn.


AL TEGEN STROOM


Gij vraagt, hoe ik zo veel gedicht heb, en geschreven,
Door al de bezigheid daar men mij lang in zag?
Will de mens niet altoos al wat hij niet en mag?
Had ik meer tij gehad, ik had veel min bedreven.


Dromen 1

Ik denk 's daags of ik droomd', ik droom 's nachts of ik zag:

Waar 't 's nachts zo donker niet, en niet zo licht bij dag,

'k Zag kwalijk uit de droom van deze droom te komen,

Of mijn droom denken is, of mijn' gedachten dromen.


Dromen 2

Twee werre-werelden bewoon ik overhands:

een die ’t volkomen is, een andere bijkans.

’s Daags vind ik mij in de een, ’s nacht dunk ik mij in de ander.

In arbeid en in ernst gelijken ze malkander.

Dit scheelt het: deze zie ’k, die droom ik dat ik zie.

Of is deez’ mogelijk zo wel een droom als die?


Jan’s uytnemendheid

Jan neemt waar hij nemen kan,
Uyt de borsen, uyt de sacken,
Uyt de kisten, uyt de packen,
Uyt den ketel, uyt den pan
Jan is een uytnemend man.