Test
Download document

KLOOS, Willem


Dood-gaan

De bomen dorren in het laat seizoen,
En wachten roerloos de nabije winter...
Wat is dat alles stil, doodstil... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.

Ach, 'k had zo graag heel, héél veel willen doen,
Wat Verzen en wat Liefde, -- want wie mint er
Te sterven zonder dees? Maar wie ook wint er
Ter wereld iets door klagen of door woên?

Ik ga dan stil, tevreden en gedwee,
En neem geen ding uit al dat Leven meê
Dan dees gedachte, gonzende in mij om:

Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen:
De dode bloemen komen niet weêrom,
Maar Ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen.


Van de Zee

Aan Frederik van Eeden

De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zichzelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend schoon en kent zichzelve niet.

Zij wist zichzelve af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd òm en keert weer waar zij vliedt,
Zij drukt zichzelve uit in duizenderlei lijning,
En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.

O, Zee was Ik als Gij in àl uw onbewustheid,
Dàn zou ik eerst gehéél en gróót gelukkig zijn;

Dán had ik eerst geen lust naar menselijke belustheid
Op menselijke vreugd en menselijke pijn;

Dan wàs mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid
Zou, wijl Zij groter is dan Gij, nóg groter zijn


Nauw zichtbaar

Nauw zichtbaar wiegen op een lichte zucht

De witte bloesems in de scheemring - ziet,

Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,

Een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht

Als perlemoer, waar ied're tint vervliet

In teêrheid.., Rust - o, wonder-vreemd genucht!

Want alles is bij dag zó innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,

Verstierf - de wind, de wolken, alles gaat

Al zacht en zachter - alles wordt zo stil...

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak,

Dat al zó moe is, altijd luider slaat,

Altijd maar luider, en niet rusten wil.


Ik ween om bloemen

Ik ween om bloemen in de knop gebroken
En vóór de uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan.

Gij kwaamt, en 'k wist -- gij zijt weer heengegaan...
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:
Ik zat weer roerloos nà die korte waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:

Zo als een vogel in de stille nacht
Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,

Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.


Sonnet V / Ik ben een God

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,

En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon

Over mij zelf en 't al, naar rijksgeboôn

Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

En als een heir van donkerwilde machten

Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn

Voor 't heffen van mijn hand en heldere kroon:

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

—En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond

Úw overdierb're leên de arm te slaan,

En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan

Op úwe lippen in een wilde vloed

Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.


Avond

Nauw zichtbaar wiegen op een lichte zucht
De witte bloesems in de scheemring -- ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zachtgekleurde lucht
Als perlemoer, waar ied're tint vervliet
In teêrheid... Rust -- o, wondervreemd genucht!
Want alles is bij dag zó innig niet.

Alle geluid dat nog van verre sprak,
Verstierf -- de wind, de wolken, alles gaat
Al zachter en zachter -- álles wordt zo stil...

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak,
Dat al zó moê is, altijd luider slaat,
Altijd maar luider, en niet rusten wil.


Mijn handen zijn zo heet –

Mijn handen zijn zo heet –

mijn ogen branden zo moe
diep in mijn hoofd, ik weet
niets meer, ik ben zo moe.

Er zijn stemmen op straat,
wind en hemellicht -
om me is droog gepraat,
mijn gehoor zwicht.

En er is niets in mij over
dan het arme hongrig' verlang -
ik heb het zo lang, zo lang,
het wil niet meer over.


Zoals daar ginds, aan stille blauwe lucht,

Zoals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleke bladen aan de kim vergaan,

Zó zag ik eens, in wonder-zoet genucht,
Uw half-verhulde beelt'nis voor mij staan,-
Dán, met een zachte glimlach en een zucht,
Voor mijn verwonderde ogen ondergaan.

Ik heb u lief, als dromen in de nacht,
Die, na een eind'loos heil van éne stond,
Bij de eerste schemering voor immer vloôn:

Als morgen-rood en bleke sterren-pracht,
Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,
Als alles, wat héél ver is en héél schoon.