Test
Download document

GRACIAN, Baltasar

Handorakel en kunst van de voorzichtigheid


3. In spanning houden . De verwondering over het onverwachte leidt tot achting bij het slagen van een onderneming. Met open kaart spelen is onelegant en dient geen enkel doel. Wie niet meteen zijn opzet laat blijken, houdt de spanning erin, vooral als men door een hoge positie de algemene belangstelling trekt. Alles lijkt dan geheimzinnig, en deze mysteriositeit wekt ontzag. (...)

19. Niet te hoge verwachtingen koesteren . Al wat van tevoren hoog wordt geroemd, valt tegen omdat het niet beantwoordt aan het idealistische beeld dat men zich ervan heeft gevormd. De werkelijkheid kan nooit onze verbeelding evenaren, omdat het verzinnen van iets volmaakts makkelijk is, maar de uitvoering heel moeilijk. Doordat fantasie gepaard gaat met verlangen, stelt zij zich altijd veel meer voor dan de werkelijkheid rechtvaardigt. Hoe voortreffelijk iets ook mag zijn, het beantwoordt toch nooit aan de voorstelling die men zich ervan maakt, en doordat men het ziet in het valse licht van een hoog gespannen verwachting, zal het eerder tot ontgoocheling dan tot bewondering leiden. (...)

26. Ieders duimschroef vinden . Dit is de kunst iemands wil naar onze hand te zetten. Meer nog dan vastberadenheid is hiervoor bedrevenheid vereist: men moet weten langs welke weg men toegang tot iemand krijgt. Iedereen die naar iets streeft, heeft ergens een zwak voor, afhankelijk van de verscheidenheid van doelstellingen. Alle mensen vereren bepaalde afgoden; sommigen is het om eer te doen, anderen om gewin, de meesten om genot. Het gaat er dus om te weten te komen wie de afgoden zijn die deze mensen tot handelen aanzetten. Als wij weten wat iemands drijfveer is, bezitten wij de sleutel tot zijn wil. Wij dienen af te gaan op zijn eerste beweegreden, die niet altijd de meest verhevene is, omdat er in de wereld nu eenmaal meer bandeloze dan fatsoenlijke mensen zijn. Dan moeten wij eerst zijn karakter doorgronden, vervolgens aftasten hoe intelligent hij is, en hem ten slotte aangrijpen bij zijn speciale voorkeur. Dit is een feilloze methode iemands wil schaakmat te zetten.

41. Nooit overdrijven . Het is heel belangrijk erop bedacht te zijn niet in overdreven bewoordingen te spreken, deels om niet het risico te lopen de waarheid geweld aan te doen, deels om ons oordeelsvermogen geen slechte reputatie te bezorgen. (...) Door overdrijven verliest u de naam zowel over een goede smaak als gezond verstand te beschikken. Het eerste is erg; het tweede nog veel erger.

43. Denken als weinigen en spreken als velen . Door tegen de stroom in te willen gaan, stuit men de dwaling niet, maar brengt men alleen zichzelf in gevaar. Alleen Socrates kon zoiets wagen. Verschil van mening wordt als belediging opgevat, omdat het een veroordeling is van andermans oordeelsvermogen. Het aantal ontevredenen groeit snel, de ene keer omdat iets wordt afgekeurd, de andere keer omdat het wordt geprezen. De waarheid is uitzondering, de dwaling algemeen en ordinair. (...)

81. Steeds opnieuw schitteren , het voorrecht van de feniks. Bekwaamheid slijt, en daarmee ook de reputatie. Gewenning vermindert de bewondering; een middelmatige nieuwigheid trekt meer aandacht dan grote verdienstelijkheid waaraan men sinds lang is gewend. Daarom moet men ervoor zorgen steeds op andere wijzen uit te blinken in moed, intellect, geluk, kortom in alles. Men dient net als de zon iedere keer weer met nieuwe pracht te verschijnen, nu eens boven het ene dan weer het andere landschap stralend, zodat wij op de ene plaats door afwezigheid schitteren en op de andere door aanwezigheid.

88. Voornaam gedrag verheft de mens . Een groot man mag niet klein te werk gaan. Men moet zich nooit te veel in bijzonderheden verdiepen, vooral niet als het om zaken van niet al te hoog allooi gaat. Het mag dan nutig zijn alles terloops op te merken, alles willen uitpluizen is dat niet. In de regel dient men een voorname voorkeur voor de grote lijnen te tonen, wat een vorm van welgemanierdheid is. Veinzen iets niet op te merken is een belangrijk onderdeel van de kunst te regeren. (...)

133. Beter met allen dwaas, dan alleen wijs te zijn , zeggen politici. Als iedereen gek is, steekt men tegen niemand af, terwijl wijsheid die alleen staat, voor dwaasheid wordt gehouden -- zo belangrijk is het met de stroom mee te gaan. De hoogste kunde bestaat soms uit onkundigheid of het voorwenden daarvan. Men moet met de anderen leven, en de onwetenden zijn het talrijkst. Om alleen te leven moet men veel van een god of alles van een dier hebben. Ik zou dit aforisme liever anders willen formuleren, en stellen: liever wijs met de meesten dan dwaas alleen. Er zijn namelijk mensen die willen opvallen door zich met hersenschimmen bezig te houden.

142. Nooit uit eigenzinnigheid de verkeerde partij kiezen omdat de tegenstander u voor is geweest en de juiste keuze heeft gedaan. Maakt u deze fout, dan bent u al aan het verliezen als het gevecht begint, en zal u oneervol het veld moeten ruimen. Door de verkeerde partij te kiezen komt men nooit goed terecht. (...) Een algemeen kenmerk van vooringenomen mensen is dat zij bij tegenspraak niet op de waarheid letten en bij geschillen niet op hun belang. Een verstandig man kiest nooit de zijde van de hartstocht, maar altijd -- spontaan of na overleg -- die van de rede. Als de tegenstander dwaas is, zal hij door zijn kortzichtigheid van koers veranderen en de verkeerde kant opgaan, waardoor zijn positie verslechtert. Het enige middel hem van zijn goede standpunt af te brengen is het zelf in te nemen. Zijn domheid brengt hem er dan toe het te verlaten, waardoor u profiteert van zijn eigenzinnigheid.

182. Enige durf bij alles wat u onderneemt is verstandig en zinvol. Men moet zijn oordeel over anderen matigen en niet zo’n hoge dunk van hen krijgen dan men hen vreest. Uw verbeeldingskracht mag u nooit de baas worden. Sommige mensen lijken heel wat tot men in persoonlijk contact met hen komt. Dan leidt die omgang meer tot ontgoocheling dan waardering. Niemand kan buiten de nauwe perken van het menselijke treden; voor een ieder geldt een limiet, bij de een heeft deze betrekking op zijn verstand, bij de ander op zijn karakter. De waardigheid van het ambt dat iemand bekleedt, gaat maar zelden samen met persoonlijke waardigheid. Meestal wreekt het lot zich op de hoogheid van een ambt door de inferioriteit van de verdiensten van wie het uitoefent. (...)

204. Een makkelijke onderneming zwaar opnemen, een moeilijke licht . Het eerste om niet roekeloos te worden door zelfvertrouwen, het tweede om niet geremd te raken door onzekerheid. Om iets niet uit te voeren hoeft men zich alleen maar wijs te maken dat het werk al is gedaan. Daar staat tegenover dat men door nauwgezette inspanning het onmogelijke ten uitvoer kan brengen. Over zware opgaven mag men niet piekeren; het volstaat dat ze er zijn. Door zich blind te staren op grote moeilijkheden lost men ze niet op.

232. Over enige koopmanszin beschikken . Niet alles dient overpeinzing te zijn, er moet ook daadwerkelijk worden geleefd. Zeer ontwikkelde mensen zijn gemakkelijk te bedriegen, omdat zij weliswaar veel af weten van buitengewone zaken, maar niets van het leven van alledag, wat van groter nut is. Hun overpeinzingen over verheven zaken laten hun geen ruimte voor de praktische. Aangezien zij dus niet op de hoogte zijn van het eerste wat zij dienen te weten, en al de anderen daarin juist erg bedreven zijn, worden zij óf met verbazing bekeken, óf door de oppervlakkige massa voor dom aangezien. Daarom dient elk ontwikkeld man ervoor te zorgen iets van een koopman te hebben, net genoeg om niet bedrogen of uitgelachen te worden. (...)

239. Niet spitsvondig zijn , nuchterheid is van meer belang. Meer weten dan nodig is, betekent de scherpte van uw verstand schaden, omdat van spitse zaken de punt nu eenmaal snel breekt. Men kan beter vertrouwen op een beproefde waarheid. Het is goed scherpzinnig te zijn, maar zich niet met academische haarkloverijen in te laten. Lange betogen houden is al verwant aan redetwisten. Degelijk gezond verstand dat zich alleen uitlaat over wat van belang is, heeft meer waarde.

288. Naar de gelegenheid leven . Handelen, spreken, alles moet opportuun zijn. Men dient alleen iets te willen als dit kan, want tijd en gelegenheid wachten op niemand. Men moet niet volgens vaste principes leven, behalve in zedelijk opzicht. Ook mag men voor de wil geen precieze wetten uitvaardigen, want morgen zal men het water moeten drinken dan men nu versmaadt. Er bestaan van die dwarse doordrijvers die willen dat alle omstandigheden zich naar hun waanidee schikken, en niet andersom. Een wijs man weet echter dat de voorzichtigheid altijd aanpassing aan de gelegenheid voorschrijft.

Vertaald door Theo Kars