Test
Download document

KOPLAND, Rutger


Psalm

Dan zullen deze geluiden wind zijn,
als ze opstijgen uit hun plek, dan
zullen ze verwaaien, zijn ze wind.

We hebben geademd en onze adem was
als zuchten van bomen om een huis,

we hebben gepreveld en onze lippen
prevelden als een tuin in de regen,

we hebben gesproken en onze stemmen
dwaalden als vogels boven een dak.

Omdat wij onze naam wilden vinden.
Maar alleen de wind weet de plek
die wij waren, waar en wanneer.


Een lege plek om te blijven XIV

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,

de lege plekken in het hoge gras, ik heb

altijd gewild dat ik dat was, een lege

plek voor iemand, om te blijven.


Onder de appelboom

Ik kwam thuis, het was

een uur of acht en zeldzaam

zacht voor de tijd van het jaar,

de tuinbank stond klaar

onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat

te kijken hoe de buurman

in zijn tuin nog aan het spitten

was, de nacht kwam uit de aarde

een blauwer wordend licht hing

in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi

om waar te zijn, de dingen

van de dag verdwenen voor de geur

van hooi, er lag weer speelgoed

in het gras en verweg in het huis

lachten de kinderen in het bad

tot waar ik zat, tot

onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels

van ganzen in de hemel

hoorde ik hoe stil en leeg

het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij

zitten, om precies te zijn jij

was het die naast mij kwam

onder de appelboom, zeldzaam

zacht en dichtbij

voor onze leeftijd.


Al die mooie beloften

De grazige weiden, vader, de wateren

der rust, ik heb ze gezocht en inderdaad

gevonden, ze waren nog mooier dan jij

me had beloofd, prachtig, prachtig.

En in dit liefelijk landschap uw zoon,

door de boeren hier aan een boom

genageld, maar geen spoor van geweld

of verzet, alleen maar vrede, vader.

Zijn dode ogen bekijken verdrietig de

resten van rozen aan zijn voeten,

om zijn mond spelen eeuwige vragen,

waarom toch, wie ben je, waar was je,

e.d. Maar boos, nee, boos lijkt hij niet

geweest, niemand is schuldig, niemand.


Tegen het krakende hek

Zo stonden wij tegen het krakende hek,

zo buiten de wereld als paarden.

Het was weer aarde, gier en soir de

paris, een avond van waar en wanneer.

In mij kwamen vergeten regels omhoog,

zachte op nacht rijmende landerijen,

maar jij fluisterde: hier, hier is het

het fijnste, waar je nu bent, waar je nu

bent met je handen. Zo lagen we tegen

de aarde en tegen elkaar, terwijl het hek

kraakte tegen de opdringende paarden.


Geef mij maar de brede, de trage rivieren

Geef mij maar de brede, de trage rivieren,

de bewegingen die je niet ziet maar vermoedt,

de drinkende wilgen, de zinloze dijken,

een doodstille stad aan de oever.

Geef mij maar de winter, het armoedige

landschap, de akker zonder het teken van

leven, de kracht van de krakende heide.

Geef mij maar de kat als hij kijkt voor

hij springt, om te vechten, te vluchten,

te paren, te jagen, als hij kijkt.

Geef mij maar een paard in galop, maar

op zijn zij in het gras. Geef mij

maar een vraag en geen antwoord.



III Zijn jas

Mijn vader J was nog maar net

gestorven toen mijn moeder A

zijn nieuwe regenjas voorzichtig

van de kapstok nam. Pas eens,

zei ze, hij was er zo trots op.

Daar stond ik dan en voelde

aan de mouwen en bij het sluiten

van de knopen hoe dood hij was

en hoe ver weg mijn jeugd. Oud

en zwak zou ik worden, in deze

plooien zou mijn huid gaan hangen

om mijn knoken.