Test
Download document

KOUWENAAR, Gerrit


Ik heb nooit

Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit:

het zacht maken van stenen

het vuur maken uit water

het regen maken uit dorst

ondertussen beet de kou mij

was de zon een dag vol wespen

was het brood zout of zoet

en de nacht zwart naar behoren

of wit van onwetendheid

soms verwarde ik mij met mijn schaduw

zoals men het woord met het woord kan verwarren

het karkas met het lichaam

vaak waren de dag en nacht eender gekleurd

en zonder tranen, en doof

maar nooit iets anders dan dit

het zacht maken van stenen

het vuur maken uit water

het regen maken uit dorst

het regent ik drink ik heb dorst.


Men moet

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis

nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker

de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters

een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen

zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder

het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –


Toen wij nog jong waren

Toen wij nog jong waren en de wereld nog oud was

en wij in een ver land op hoge bergen stonden

en in het dal diep beneden een lange roerloze

roestige trein zagen, onbestaanbaar alleen
in het oog van een hevige leegte, riep jij

terwijl je de hemel een kushand toewierp

ik ben een reisgids kinderen

leer mij lezen

en 's avonds op het plein onder kwijnende palmen

waren er wijn en olijven en een ritselend zwijgen

uit klagende kelen en het donker was week

op het scherp van de snede, en jij

jij kocht het ondraaglijke lot van een blinde

en riep het oor drinkt

nu is het dus later, een avond na jaren, de dood

stille trein is vertrokken, de tijd van het lot

is verstreken, je reisgids ligt open


onder eendere oudere bomen drink ik

de hese stem van je woorden, hoor ik je stilte -


totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken

nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal

de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten

alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale

zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven

witter dan, samen –