Test
Download document

LUYKEN, Jan


Air

Droom is 't leven, anders niet;

't Glijdt voorbij gelijk een vliet,

Die langs steile boorden schiet,

Zonder ooit te keren.

D' Arme mens vergaapt zijn tijd,

Aan het schoon der ijdelheid,

Maar een schaduw die hem vleit,

Droevig! wie kan 't weren?

D' Oude grijze blijft een kind,

Altijd slaap'rig, altijd blind;

Dag en ure,

Waard, en dure,

Wordt verguigelt in de wind;

Daar mee glijdt het leven heen,

't Huis van vel, en vlees, en been,

Slaat aan 't kraken,

d' Ogen waken,

Met de dood in duisterheên


La Belle Iris /Lucella

's Uchtens, als het haantje kraait,

Onder 't klappen van zijn wieken,

Als de dag begint te krieken,

Eer de Huisman ploegt of zaait,

Gaat Lucella bloempjes pluyken,

Daar zij 't gratig oog me streelt:

Bloempjes die naar honing ruyken,

Daar de lekk're Bey in speelt.

O Lucel, wiens bloeiend schoon

Al het puik der Veldgodinnen,

Pralende komt te overwinnen,

Strijkende de schoonste kroon,

Waart ten troon te zijn verheven,

Laat deze ogen-streelderij;

Wordt gij van een lust gedreven

Tot de bloemen, ga met mij.

Loop niet meer door 't wilde lof,

Ga met mij in liefdens gaarde,

Schoonste Nimf, daar baart ons d' aarde

Bloemen van een eedler stof:

Die alleen de reuk niet vleien,

Maar het liefelijk gevoel,

Schaffen duizend lekkernijen,

Door een strelend geestgewoel.

Liefdens-hof, braveert het al,

Laat 'et hagelen, laat 'et waaien,

Laat den Hemel bliksems zwaaien,

Met een zware donderval,

Laat de gure winter beven,

Dat al 't geurig-groen bederft,

Liefdens bloemen blijven leven,

Laat 'et sterven wat 'er sterft.


Op het schoon zingen van juffer Appelona Pijnbergs

In 't rijzen van de koele dag,
Als ieder nog te slapen lag,
Zat Appelona, die ik zag
- ‘t Zijn mij geen dromen –
In de schaâuw der bomen
En streelde een luit,
Terwijl zij uit
Een heldere boezem zong.
Stil hield de tong,
Die ’t geveert’
Van het hele woud braveert.
Het zingen,
’t Springen,
’t Fluiten,
‘t Tuiten
En ‘t zwieren,
Gieren,
Dat
In de
Linde
Leefde
Zweefde,
Was nu stil en zat
Te luist'ren;
’t Fluist'ren
Van de blaên ging zacht;-
O Goên,
Zo schoon
Een zang!
Haar dwang
Heeft mij verkracht.


Mijn Laura kwam

Mijn Laura die ik min, kwam in mijn slaapzaal treden,
Met liefelijk gelaat, en moedernaakte leên,
Een kleedje alleen bedekte haar heupe naar beneden,
't Hing al van melk en bloed en maagdenwas aaneen:
Een windje op haar verliefd,
Ten venster ingeslopen,
Bedreef een stoute dieft,
En spreidde 't kleedje open,
Daar zag men wat een mens, hoe koud, zette in een vlam.
Men zegt, dat Venus zo weleer ten oordeel kwam.
Zij naderde mijn koets *; wat hart was niet bewogen
Geworden, door zo schone en goddelijk een zwier?
De liefde bliksemde uit haar bruine en draaiende ogen,
En zette heel de zaal in lichte vlam en vier;
Zij lachte en greep mijn hand,
Mijn boezem sloeg aan 't beven;
't Hart zwoegde door de brand;
Ik zwijmde, en blies het leven
Op roze lippen uit; maar och! hoe onverwacht,
Vond ik mij toen gewaakt, in ene donkre nacht.

* koets = bed


De dageraad

De dageraad begint te blinken,
De roosjes zijn aan 't open gaan;
De nucht're zon komt peerlen drinken,
De zuidenwind speelt met de blaân:
Het nachtegaaltje fluit,
En 't schaapje scheert het kruid;
Hoe zoet
Is een gemoed,
Met zulk een vreugd gevoed!