Test
Download document

MANDELINCK, Gwij

Soms gaat zij reeds de trage gang

Soms gaat zij reeds de trage gang:
in de ratel der gewrichten is het
onverwacht te horen hoe zij aan
het knekelhuis te kloppen staat.

De nachten malen: onophoudend
ziet zij hoe het meel
der balken in de lakens valt.

De klokkentaal der slapelozen kent zij
uit het hoofd; met de hielen naar
de sponde staan de schoenen naast elkaar:

op elke komst is zij bereid.

Het onverteerde ligt haar op de maag;
in de geluiden van de hik groeit zij
met schokken naar de grond.

Ook uren van geluk, die kent ze nog;
bedelend blijven de beminden haar nabij:
gehuld in groot geduld snijdt zij
de helften van haar mantels weg.