Test
Download document

MARJA, A.


Avond

Haast elke avond zit hij hier,

zijn hoofd ligt in zijn hand gebogen

en onder de vermoeide ogen

trillen de lijnen van 't papier,

dat hij gedachteloos beschrijft,

opzij schuift en weer voor zich legt

terwijl zijn stem afwezig zegt:

nu weet ik wat er overblijft

van wat ik droomde, en van wat

ik eenmaal dacht dat zou gebeuren:

ik kan alleen het blad verscheuren

nu alle blankheid is beklad.


Het kind

aan Martin Leopold

Wie van ons heeft het dromen niet bemind:

te zwerven ver, te wachten op een lied,

dat aanstroomt op de lentewind, dat niet

te grijpen valt, maar ook in ons begint.

Dat ons doorzingt, vervoert naar een gebied

zo wijd en open in die lentewind,

dat ergens in ons aarzelend een kind

mee instemt en de dingen anders ziet.

Maar eenmaal zijn wij blind en blijven staan,

gedwongen tot dat andere bestaan,

waarin niet meer gedroomd wordt of verwacht.

Soms zien wij dan onszelf verwonderd aan,

dat altijd nog hetzelfde hart blijft slaan

nu kind en dromen werden omgebracht.


Een psychiater

Soms als er iemand op zijn divan ligt
zich los te kronkelen uit een neurose,
begint hij aan zijn binnenkant te blozen
om wat er gaapt tussen zijn overwicht

en 't knaapje dat nog altijd in hem leeft
met spillebenen, lokken, meide-kleren
en, later, dat hardnekkig masturberen
waarvan zijn moeder nooit geweten heeft.

De angst dat al die anderen 't begrijpen
kan af en toe nog zijn testikels knijpen,
maar laat hem los zodra hij spreekuur heeft.

Alleen die blos – omdat wie tot hem komen
niet weten hoe de droesem hunner dromen
cement wordt waarmee hij zijn vesting bouwt.


Ik zag mijn vader

Ik zag mijn vader dood toen ik al dertig jaar
geworden was, toch gaf het mij een harde schok:
wij waren altijd goede vrienden van elkaar,
maar toen hij daar zo lag en met zijn lippen trok

alsof hij snauwen ging - iets wat hij haast nooit deed
terwijl hij leefde - leek hij op een dode hond
die, voor hij stierf, nog grimmig in het leven beet,
vertwijfelend omdat hij daarna niets meer vond.

Hij had iets onvoltooids, doordat men zijn gebit
had weggenomen toen hij langzaam lag te stikken:
meer embryo dan hond, zo lag mijn vader dood.

Soms denk ik, als ik droom of vaag te staren zit,
dat ik moet schrijven hoe zijn aanblik mij deed schrikken,
maar dat gelukt maar half: ik geef mij niet graag bloot.


Ik

Omdat ik nu zo lang ben rondgegaan,

omdat ik voor de spiegel heb gestaan –

omdat ik bij mijn vader heb gewaakt

Totdat hij in een nanacht overleed –

omdat ik haar van wie ik eenmaal zong

tot moeder van mijn kindren heb gemaakt –

omdat ik nooit zal weten wat mij dwong

te zijn het wezen dat dit alles deed –

omdat ik nooit zal weten hoe ik heet

(want wat men namen noemt zijn niets dan kooien

waarin men met de vogel ook het lied

te vangen waant) –

omdat een god mij niet

kan redden van de chaos die ik draag

in slaap en wakker zijn –

omdat ik vraag

naar wat neutronen en protonen bindt,

naar wat er aan de hemel hangt te flonkren,

naar wat men in mijn nieren ligt te kronklen,

en in het gras wil buitlen met mijn kind,

dat schatert als het mij tracht om te gooien

of vieze woordjes van mij overneemt –

omdat ik alles wat naar pose zweemt

veracht, en toch alleen maar kan poseren

(want vorm is pose en het ik is vorm,

zo goed als duif, gazelle, regenworm

zich in waarneembaarheid manifesteren) –

omdat ook als ik niet zou willen zijn

ik toch niet meer kan uitwissen, dat mijn

krachtveld zich slingerde door andre velden –

omdat ik nooit geworden ben wat mij

het bloed, het hart, de hersenschors voorspelden,

spreekt slechts één ding mij vrij –

als ik, na nors te hebben doodgezwegen

wat soms gezegd wou worden, toch bezwijk,

en weer met woorden tracht te overwegen

of ik meer lijk dan ben, meer ben dan lijk.


Moment sentimental

Mijn kleine moeder met je rode haar,

eens werd je ginds in een zwart graf gelegd,

een dominee heeft, galmend, aan de baar

enkele verzen uit Gods woord gezegd.

Ik was een kind van nog geen veertien jaar;

hoe zwaar viel het verbitterde gevecht

tegen mijn tranen, want het stond zo raar

en buurman had: wees dapper vent, gezegd.

Wees dapper, ja, maar nu ik in de nacht

na al die jaren waak, en onverwacht

je rode haar zie en je zacht hoor spreken,

geeft noch Gods woord, noch buurmans raad mij kracht

de tranen te weerstaan, die aan mij wreken,

dat jij ginds ligt en ik nooit aan je dacht.


Groningen

Stad, langs uw blinkend water liep ik voort,

ik zag uw markten in het morgenlicht,

ik heb van u gedronken en gedicht

en 't stromen in uw aderen gehoord.

De toren met het trillend vergezicht,

een schrale trambel, die de morgen stoort,-

ik daal en wandel langs het water voort

het ruime land in, dat rondom u ligt.

En zijn die u bewonen nors en klein,

geroest, gekerkerd in de stugge schijn:

wat vreemd en anders is dan wij, deugt niet ...

Ik, die u heb geproefd op straat en plein,

moet duizelen en soms zelfs dronken zijn

van al uw zon en wind en wijd verschiet.


Balans

Dat gij mij niet verstaat

maakt niet dat ik u haat,

maar slechts dat ik bedroefd

mij soms heb opgeschroefd

tot wat, wat ik ook ben,

ik niet in mij erken:

een mens vol pathetiek,

een draaiend mechaniek

dat zich met leugens voedt

en leugens spuien moet.

Dat ik u nooit verstond

is nog altijd de grond

waarop ik, hoe ik leed

en wat ik om u deed,

een zweem van zuiverheid

bewaar tot mettertijd

ik zelf weer zuiver word;

het is nog maar zo kort

dan ben ik eeuwig stil:

is dat uw diepste wil?

Bedekt door zand en gras,

stof tot stof, as tot as, -

wat dan niet meer geneest

trilt enkel nog als geest:

hoe ik mij heb geweerd,

het kan niet meer verkeerd;

wat ik gegeven heb,

wat ik misdreven heb,

het ligt zoals het ligt,

ver buiten het gezicht.

En dat ik u bedroog,

het zit mij niet meer hoog, -

verzaligd of verdoemd,

ik stel het onverbloemd:

wat er van uw of mijn

vervlochten lust en pijn

ook mag zijn nagebleven,

het is misschien vergeven,

het moet hier afgeschreven,

het ligt alleen te beven

omdat het voort kan leven

ook zonder waar te zijn.