Test
Download document

MARSMAN, Hendrik


De boot van Dionysos XIII

De morgenwind ontrolt zijn schuimende banieren

door het vervalend nagrauw van de nacht;

de ochtend brandt in hemelsblauwe vuren,

het sterrengruis bekoelt tot sintelende as.

de kreet der hanen scheurt het donker van de muren,

het eerste verse bloed springt uit de flank der dag,

en die in 't donker lag, hoort in zijn laatste dromen

de vlucht der hinden nog, de herten van de nacht.


schaduwen eeuwenoud en het verbond der bomen

smelten als zwarte sneeuw voor 't schroeien van de zon;

Abraham voert het vee van de verdorde stromen

naar 't grazige gebied rond Mamre's eikenbron.


en 't lichaam van de vrouw die 't donker met hem deelde

- de nacht was als een moerbei aan hun mond -

komt boven uit de dood der ondergrondse kreken

en rekt zich als een dier in 't teder morgenrood.


nog sluimren tuinen tussen oude muren,

de dauw verdampt in 't vochtig zwarte zand,

de wolken steigeren als hunkerende stieren

naar het scharlaken uur dat de arena brandt.


nog slechts een korte tijd en het heelal zal stromen

en vlammen als een zuil, de hemel in het haar,

en 't dionysisch schip danst langs de rode stromen,

dolfijnen om de kiel, de mast een druivelaar



De boot van Dionysos XVII

Ik die bij sterren sliep en 't haar der ruimten droeg
als zilveren gewei, en 't stuifmeel der planeten
over de melkweg blies en in de maan gezeten
langs 't grondeloze blauw der zomernachten voer,

ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand,
mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer
in 't dode firmament, niets dan de galm die keert
van 't sombere gewelf van mijn ontredderd hart.

ik sta alleen, geen God of maatschappij
die mijn bestaan betrekt in een bezield verband,
geen horizon of zee, geen poovre korrel zand
in 't naamloos wel en wee der brandende woestijn.

ik voel de waatren stijgen in de nacht,
de angst rijst naar de mond en aan mijn lippen staan
vermoeienis en walg, ik heb mijn merg verdaan
in slaafse horigheid aan het roofzuchtig bloed.

niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter slaan
en kermen als een meeuw tussen het zwarte wier;
die eens als zon in 't zenith heeft gestaan,
zal bijten in het zand als een creperend dier.


Heimwee

De tijden zijn zwart.
wij zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren.
in een mantel gehuld, door een
engel op weerlichte doortocht verloren
en door het onuitroeibaar heimwee vervuld
de Koning te zien voor Wie ik had willen strijden,
schrijd ik naar de Dood

en die een krijgsman had willen zijn
in de harstochtelijkste aller tijden,
moet nu in late verwilderde woorden gewagen
van eeuwen, die versomberden tot verhalen
– duister en vurig – van Kruistochten
en Kathedralen. –


Paradise regained

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van de morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

zwervende tussen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van 't water,
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgeloos zingt langs het eeuwige water

een held're, verruk'lijk-meeslepende wijs:

'het schip van de wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen -
wij gaan terug naar 't Paradijs'.


Holland


De hemel groots en grauw,

daaronder het geweldig laagland met de plassen;

bomen en molens, kerktorens en kassen,

verkaveld door de sloten, zilvergrauw.

dit is mijn land, mijn volk;

dit is de ruimte, waarin ik wil klinken.

laat mij één avond in de plassen blinken,

daarna mag ik verdampen als een wolk.—



De overtocht

De eenzame zwarte boot

vaart in het holst van de nacht

door een duisternis, woest en groot

de dood, de dood tegemoet.


ik lig diep in het kreunende ruim,

koud en beangst en alleen

en ik ween om het heldere land,

dat achter de einder verdween

en ik ween om het duistere land,

dat flauw aan de einder verscheen.


die door liefde getroffen is

en door het bloed overmand

die ervoer nog het donkerste niet,

diens leven verging niet voorgoed;

want de uiterste nederlaag

lijdt het hart in de strijd met de dood.


o! de tocht naar het eeuwige land

door een duisternis somber en groot

in de nooit aflatende angst

dat de dood het einde niet is.


Landschap

In de weiden grazen

de vreedzame dieren;

de reigers zeilen

over blinkende meren,

de roerdompen staan

bij een donkere plas;

en in de uiterwaarden

galopperen de paarden

met golvende staarten

over golvend gras.


Herinnering aan Holland

Denkend aan Holland

zie ik brede rivieren

traag door oneindig

laagland gaan,

rijen ondenkbaar

ijle populieren

als hoge pluimen

aan den einder staan;

en in de geweldige

ruimte verzonken

de boerderijen

verspreid door het land,

boomgroepen, dorpen,

geknotte torens,

kerken en olmen

in een groots verband.

De lucht hangt er laag

en de zon wordt er langzaam

in grijze veelkleurige

dampen gesmoord,

en in alle gewesten

wordt de stem van het water

met zijn eeuwige rampen

gevreesd en gehoord.


Vrees

Ik vraag mij af

hoe lang het nog duren zal

dat ik als een bal

heen en weer word geslingerd

en van vrezen verval

tot steeds dieper vreesachtigheid.

en hoe kort is de tijd,

hoe kort is de tijd

dat ik als een bevende voorjaarswingerd

tegen de machtigen muur van het leven hang!


waarvoor ben ik bang?


ik ben bang voor het uur

dat de dood mijn lichaam ontbinden zal

en mijn ziel wordt gezet in het vuur.

ik ben bang dat ik staan zal tegen de muur

en dat de kogel niet missen zal.

ik ben bang, dat ik noch in de duur

noch daarna in de schaduwen van het Dal

de weg naar het hart des levens

meer vinden zal -


ach, de vrezen zijn zonder tal


Invocatio

Laat mij in uwer haren mantel slapen

en leg uw donker om mijn wilde hart,

verban het licht uit mijner ogen dalen

en vouw uw venster open in de nacht.

want ik ben moe, de dag heeft mij geslagen

met vuur en wijn uit zijn verweerde bron

mijn angst versteende tere rozenhagen:
ik ben een blindelings bezetene van zon.

omhul mijn hoofd en laat de schuwe handen,

verborgen in de schee van uw gewaad,

zich ankren mogen aan de heuvelflanken,

waardoor de hartslag van de schemer waart.

en neem mijn mond, want haar verdroogde vlammen

verzengen naar de schaduw van uw bloed,

bedauw mijn stem met schemerende glanzen

en gord mijn ogen aan met zachte moed.

laat mij in uwer haren mantel slapen

en leg uw donker om mijn wilde hart,

verban het licht uit mijner ogen dalen

en vouw uw venster open in de nacht.


Afscheid

Slaap met het donker, vrouw

slaap met de nacht

ons diepst omarmen

heeft de droom omgebracht

donker en zonder erbarmen

zijn bloed en geslacht

slaap met het donker, vrouw

slaap met de nacht.


Maannacht

De maan breekt de wolken uiteen;

en stromende uit die wel breken

kolken en kreken, gletsjers en meren

naar alle verten uiteen.

de aarde is klein en alleen,

een slingerend schip in het ruim,

dat zich stampend en schuin

overstag gaand in doodsangst

kampende boven houdt

op het kolkende water des donkers

onder het stormende schuim.

ik lig in het ruim naast een vrouw.

haar borsten rijzen en dalen;

zij slaapt, zij denkt nu alleen

in haar dromen aan het geluk;

hoe vredig haar ademhalen:

zij weet niets van de nood

van ons schip, zij hoort

de seinen niet gillen

noch het angstige fluiten

driemaal, als een signaal

van de dood.

gun mij nog twee uren slaap,

ik kan zo niet blijven waken.

- neem dan nu afscheid van haar,

misschien zult gij de morgen niet halen,

tenzij in een ander land.

ik schuif mijn hand in haar hand

- zie, even beven haar wimpers -

zo liggen wij naast elkaar

als tweelingen, sluimrende kindren.

zullen wij elkaar niet meer vinden

dan zij mij dood - of ik haar?


Zonnige septembermorgen

De zomer en de late rozen

zijn zacht ontblaadrend uitgebloeid;

het bloedend vuur, het hete blozen

tot oud oktobergoud vergloeid.

de groene vlammen van de bomen

– bestorven bruin en wingerdrood –

zijn van hun donkre drift benomen

o dag, o droom van blauw en goud!

het licht hangt in de honigraten

den vensters als een vochtig vlies

en morgenzon in de gelaten

waarin bij nacht de droefheid wies.

o zijden zonlicht, zacht kristal

hoe onbeschrijflijk mild en edel

verzilvert gij het smal ravijn

der huizen en de ranke schreden

der meisjes langs de waterval

en langs de gracht en op de bruggen

die teer gebogen ruggen

welven over het fulpen waterdal;

de kindren vangen met hun handen

de zachte speren; en hun mond

vangt het geluk met open tanden

van dauw en vochte morgenstond.

o witte wel, o waterval

omhuiverd door die vroege tent

van hemelsblauw, o firmament

dat koel en diep doorschijnend is;

genees mijn hart dat in de zomer

zo ruw en rood gehavend werd;

genees het in het klare stromen

voordat het droef en avond wordt.



Doodsstrijd


Ik lig zwaar en verminkt in de hoek van de nacht

weerloos en blind; ik wacht

op de dood die nu eindelijk komen moet.

het paradijs is verbrand; ik proef roet,

dood, angst en bloed,

ik ben bang, ik ben bang voor de dood.


ik kan hem niet zien,

ik kan hem niet zien,

maar ik voel hem achter mij staan

hij is misschien rakelings langs mij heen gegaan,

hij sluipt op zwarte geruisloze voeten onzichtbaar

achter het leven aan.


hij is weergaloos laf

hij valt aan in de rug

hij durft niet recht tegenover mij te staan

ik zou zijn schedel te pletter slaan.

ik heb nu nog, nu nog, een wild ontembaar

verlangen naar bloed.