Test
Download document

MINNE, Richard


Dag van schoonheid

De bot, die berst; de bij, die zoemt,
de wind, die zotheid gaat vertellen:
wat men kortweg de lente noemt
en de aarde komt op stelten stellen;
dat klotst nu alles door mijn kop,
en 'k stak er wel een pluimke op,
als ik maar niet zo deftig was,
zo stijf in mijn geklede jas.
Als ik de band maar los kon knopen,
nam ik u allen dubbelthope:
gij meiskes uit de stad, de stal,
gij wijs als 't boek, gij dom als oordje,
gij uit 't kasteel en gij uit 't poortje,
en gij, o boom, en gras, en wal,
gij witte, wandelende pater,
gij paard, gij zon, gij wolk, gij water.
en 'k danste midden in uw tas,
als ik maar niet zo deftig was,
zo stijf in mijn geklede jas.


De arme en de rijke dagen. IV

De wereld is een fluit met zoveel duizend monden.

En elkeen blaast zijn lied. En 't maakt een droef geluid

waarin ik niets van eigen klank heb weergevonden.

En gij? Misschien hebt ge ook getikt aan meenge ruit

en werd ge als ik weer feestlijk wandelen gezonden.

Nochtans: ik heb gedroomd, gehoopt; en ik droeg boete.

'k Zag de Alpen, Vlaanderen en Straatsburg aan den Rijn.

Ik heb bemind. Ik sloeg de trommel in veel stoeten.

Ik pluisde in boeken die vol oude wijsheid zijn.

Ik heb gezocht, zo 't kan, met handen en met voeten.

En 't slot? Ik hield daaruit als onvervreemdbaar deel

de troost van 't eigen lied, wanneer ik stil gezeten,

des avonds, op de hogen berm een wijsje speel,

niet voor 't heelal en de eeuwigheid, maar slechts voor 't heden.

Dat maakt een blijde dag te meer. En dat is veel.


Drieluik III

Daar is in de wereld niets, mijn God,

dan de ruimten om ons,

dan de zingende oceanen,

dan de zonnen en’t gegons

der zwermen in de avond laat,

daar is niets dan wat hol gepraat

en mijn verlangen dat vecht naar u.


Verweer tegen de winter

Gij land van sneeuw en snerpend ijs,

wat heb ik van u te verwachten?

Boven het bos begint de reis

der witte maan door al de nachten

en 't is alsof de stilte kraakt.

In uwen grond, onder de zoden,

liggen huivrend mijn goede doden
terwijl mijn zieke ziele haakt

aan iedre droom, o Abisag!

gij die daar rust onder de tente

in 't roze gloren van de dag.

Waarom, gij land van snerpend ijs,

brengt gij uw zoon zo van de wijs

en zucht ik altijd naar de lente?


Vademecum voor de dicher

Doe dommer dan ge zijt,
maar mijd u voor de klippen;
leef buiten ruimte en tijd
doch spoedt u lijk de kippen.

Werk zonder mate of plan,
maar spiedt door alle luiken;
veracht de burgerman,
doch ledig zijne kruiken.


Ode aan de eenzame

Gelijk een bron

zijt ge in de zon

op de hoogvlakte van Pamir.

Geen herder zelfs

die in 't gewelf

van zijn hand uw klaarheid schept.

Van heinde en ver

alleen een ster

schiet toe en geeft zich gewonnen.



Vaarwel


Een hand. Een traan. Vaarwel! En hij ging overzee.

Een zure vrouw, vier maagre kinders sleept hij mee.

'k Zie nog zijn schaamle broekspijp-in-accordeon.

't Is of zijn hart klapwieken gaat uit zijn veston.


Vaarwel! Men gaat omdat 't nu eens niet anders kon;

omdat het wringt... En toch... Misschien met wat meer zon

in zijnen rug, viel het hem ook heel anders mee:

notaris, ja, wie weet, docent of député?


Maar kom, niet flauw zijn! 'k Schonk hem 't rijkste van mijn gaard:

een korfje kwee ter zijn intentie uitgespaard.

In 't korfje borg hij 't zilvergeld, een oud portret,

enkele boeken en zijn derde-klasticket.

Vaarwel! Zacht is de bries, de hemel op zijn klaarst!

(Het pluimgewicht, in deze wereld, weegt het zwaarst).