Test
Download document

NAHON, Alice

SCHADUW

Ik heb de liefde liefgehad;
daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zo doet de mooie minnaar
met een zeer verliefde kind.
Ik heb de zon te lief gehad
en beu van beedlen
aan de deuren van de dagen
ben ik geworden als een varenblad
dat liever in het lommer leeft
dan zon te dragen.
En daarom bouwt mijn kommer aan een huis
waar lamp- en zonnelicht
getemperd zijn voor de ogen
en waar de sobre lijn van een gelaat
en waar de vrede van een vriendschap staat
lijk schaduw van een boom
over mijn hoofd
gebogen.

Avondliedeke

't Is goed in 't eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan;


Of ik geen ogen heb doen schreien,
Geen weemoed op een wezen lei;
Of ik aan liefdeloze mensen
Een woordeke van liefde zei.


En vind ik in het huis mijns herten,
Dat ik één droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden
Rondom één hoofd dat eenzaam was,
Dan voel ik, op mijn jonge lippen,


Die goedheid lijk een avond-zoen.
't Is goed in 't eigen hert te kijken
En zó z'n ogen toe te doen.


Herfst

Achter de oude kloosterwoning
Hing wat rode zon
Onder goud-getinte linde
Bad een jonge non

Heur gelaten ogen droomden
Onder blanke doek
Naar de zwart en rode letters
Van 't getijdenboek

Langs de wegskens was geprevel
Van wat blaren bruin
Aan heur voeten bogen schrale
Violieren schuin

Als 'n dode illusie, die ze
Lang vergeten had
Viel er, op heur jonge handen
Een verschrompeld blad