Test
Download document

NIJGH, Lennaert


Waterdrager

De zee valt, de zee daalt

en brandend rijst de zon omhoog.

De bange waterdrager haalt meer water

want de zee valt droog.

De zee rijst, de zee stijgt

en langzaam daalt de zon omlaag.

De waterdrager zwoegt en hijgt,

misschien dat hij 't redt vandaag.

Want de zee moet gered van de zon.

Want de zee moet gered van de zon.

Waterdrager, draag het water naar de zee.

Waterdrager, draag het water naar de zee.

De zee kust, de zee blust

en dooft de hete avondzon.

De waterdrager slaapt en rust,

tevreden dat hij het halen kon

en de zee heeft gered van de zon.

En de zee heeft gered van de zon.

Waterdrager, draag het water naar de zee.

Waterdrager, draag het water naar de zee.

De zee vlamt, de zee brandt,

de waterdrager schroeit zijn rug.

De zon stijgt aan de achterkant,

de waterdrager haast zich terug.

Want de zee moet gered van de zon.

Want de zee moet gered van de zon.

Waterdrager, draag het water naar de zee.

Waterdrager, draag het water naar de zee.

Draag het water naar de zee.

Draag het water naar de zee.


Verdronken Vlinder


Zo te sterven op het water met je vleugels van papier
Zomaar drijven, na het vliegen in de wolken drijf je hier
Met je kleuren die vervagen
Zonder zoeken zonder vragen
Eindelijk voor altijd rusten
En de bloemen die je kuste
Geuren die je hebt geweten
Alles kan je nu vergeten
Op het water wieg je heen en weer
Zo te sterven op het water met je vleugels van papier

als een vlinder die toch vliegen kan tot in de blauwe lucht
als een vlinder altijd vrij en voor het leven op de vlucht
wil ik sterven op het water
maar dat is een zorg van later
ik wil nu als vlinder vliegen
op de bloemen, blaren vliegen
maar zo hoog kan ik niet komen
dus ik vlieg maar in mijn dromen
altijd ben ik voor het leven op de vlucht
als een vlinder die toch vliegen kan tot in de blauwe lucht

Om te leven dacht ik je zou een vlinder moeten zijn
Om te vliegen heel ver weg van alle leven, alle pijn
Maar ik heb niet langer hinder van jaloersheid op een vlinder
Als zelfs vlinders moeten sterven laat ik niet mijn vreugd bederven
Ik kan zonder vliegen leven
Wat zou ik nog langer geven
Om een vlinder die verdronken is in mei
Om te leven hoef ik echt geen vlinder meer te zijn



Eva (Picknick)


Ik houd de wereld in mijn hand,
het glazen ei vol land en wolken.
Ik zal de hemel gaan bevolken,
ik roep de varens uit het zand.

Ik schud de apen uit mijn mouw,
de spikkelpanters en de mieren,
het blauw konijn, de krabbeldieren.
Ik strooi topaas, azuur en dauw.

Ik weet nu dat ik alles kan.
Ik ken de dieren aan hun vel,
de vogels aan hun notenspel
en ik geef namen aan de man.

De verf die ik morste,
vliegt plotseling in brand,
het palet valt vlammend uit mijn hand.
De aarde zwaait open,
ik zie haar lopen
in mijn eigen groene gras.

Wil jij soms wit wezen
dat ik je niet ken
en dat ik niet almachtig ben.
Je wilt me vergeten,
mijn vruchten eten
en me bedriegen met je man.

Hier in je lichaam van albast
zie ik de roze vlammen branden
en wat je wilt valt in je handen,
je hebt mijn wereld aangetast.

Daar sluipt de groen gevlekte kat
en heeft de merel al te grazen,
de leguaan gaat bellen blazen,
kruipt op vijf poten over het pad.

De vleesboom rijst het water uit
en rinkelt met zijn glazen snaren.
Er zit in de kristalpilaren
een uil die schuine liedjes fluit.

Hier sta ik voor zot
in mijn kamerjapon,
ik dacht wel dat ik alles kon.
En ben ik verdwenen
dan komt op zijn tenen
de engel met het grote mes.



Aan Het Einde

Heb je de trek van de spreeuwen gezien
en de vlam van de herfst langs de grachten?
Oktober is koud en nog kouder misschien
is de wind in de eenzame nachten.

Kom terug en wacht niet
want de winter dekt dit land.
Kom terug in mijn huis, in mijn hand.

De stad in de mist is een andere stad
dan die kermis met zonnige straten
waar je toen voor 't eerst het gevoel hebt gehad
dat je niemand meer zou kunnen haten.

Kom terug en wacht niet...

De nacht in de havens is vol van geluid
en de geuren van kruiden en gember.
Een ankerlicht dooft aan de horizon uit
en het water is koud in december.

Kom terug en wacht niet...

Oh de vlakte is grijs en de wereld is oud
en ik vlucht langs het pad naar het zuiden.
Maar te laat want er rijst al een toren van zout
en voor mij gaan de klokken nu luiden.


Avond

Nu hoef je nooit je jas meer aan te trekken
en te hopen dat je licht het doet.
Laat buiten de stormwind nu maar razen in het donker
want binnen is het warm en licht en goed.
Hand in hand naar buiten kijken waar de regen valt.
Ik zie het vuur van hoop en twijfel in je ogen
en ik ken je diepste angst.

Want je kunt niets zeker weten en alles gaat voorbij.
Maar ik geloof, ik geloof, ik geloof,
ik geloof, ik geloof in jou en mij.

En als je 's morgens opstaat ben ik bij je
en misschien heb ik al thee gezet.
En als de zon schijnt buiten gaan we lopen door de duinen
en als het regent gaan we terug in bed.
Uren langzaam wakker worden, zwevend door de tijd,
ik zie het licht door de gordijnen en ik weet:
het verleden geeft geen zekerheid.

Want je kunt niets zeker weten...

Ik doe de lichten uit en de kamer wordt nu donker,
een straatlantaarn buiten geeft wat licht.
En de dingen in de kamer worden vrienden die gaan slapen,
de stoelen staan te wachten op het ontbijt.
En morgen word ik wakker met de geur van brood en honing,
de glans van het gouden zonlicht in jouw haar.
En de dingen in de kamer, ik zeg ze welterusten,
vanavond gaan we slapen en morgen zien we wel.

Maar de dingen in de kamer zouden levenloze dingen zijn zonder jou.
En je kunt niets zeker weten, want alles gaat voorbij.
Maar ik geloof, ik geloof, ik geloof,
ik geloof, ik geloof in jou en mij.
Ik geloof, ik geloof, ik geloof,
ik geloof, ik geloof in jou en mij.

En je kunt niets zeker weten...



Beneden Alle Peil

Jouw armen liefste, zijn niet om te slaan,
je moet je handen niet tot vuisten maken.
Je ogen hoeven niet zo hard te staan,
ontspan die harde lijnen om je kaken.
Je lichaam lief is zacht om aan te raken.
Maar jij denkt enkel aan je eigen heil,
jij denkt alleen maar aan je eigen zaken
en dat is toch beneden alle peil.


Bekijk jezelf en lach, je zachte arm
is voor mijn hoofd gemaakt om op te rusten,
je borst als veilig kussen houdt me warm,
maar warmer zijn je lippen die me kusten.

Zo wekte je een voor een mijn andere lusten.
Maar jij dacht aan een ander onderwijl
waarmee je zonder moeite je geweten suste
en dat is toch beneden alle peil.

Mijn liefde was de inzet voor jouw spel,
door mij liet jij je ijdelheid graag strelen.
Je wilde niet, dan wilde je weer wel.
Ik was verblind, ik liet maar met me spelen.
Je liet je zo maar door een ander stelen
en mijn geluk ging zo maar voor de bijl.
Maar mijn verdriet kon jou niet zoveel schelen
en dat was toch beneden alle peil.

Prinsheerlijk lig je in een anders bed
en maakt hem met je lichaam dwaas en dronken,
wat in geen enkel opzicht jou belet
achter zijn rug om weer naar mij te lonken.
Bedriegen ligt nu eenmaal in jouw stijl,
je hebt je in het geheim aan mij geschonken,
maar het is toch wel beneden alle peil.



Pastorale


Mijn hemel, blauw met gouden hallen
Mijn wolkentorens, ijskristallen
Kometen, manen en planeten, ah alles draait om mij
En door de witte wolkenpoort, tot diep onder de golven boort
Mijn vuur, mijn liefde zich in de aarde
En bij het water speelt een kind
En alle schelpen die het vindt, gaan blinken als ik lach.

‘k Hou van je warmt' op mijn gezicht
Ik hou van de koperen kleur van je licht
Ik geef je water in mijn hand
En schelpen uit het zoute zand
Ik heb je lief, zo lief.

Ik scheur de rotsen met mijn stralen
Verdroog de meren in de dalen
En onweersluchten doe ik vluchten, ah, als de regen valt
Verberg je ogen in mijn hand
Voordat m’n glimlach ze verbrandt
M’n vuur, m’n liefde, mijn gouden ogen
‘t Is beter als je nog wat wacht
Want even later komt de nacht en schijnt de koele maan.

De nacht is te koud, de maan te grijs
Toe neem me toch mee naar je hemelpaleis
Daar wil ik zijn, alleen met jou
En stralen in het hemelblauw
Ik heb je lief, zo lief.

Als ik de aarde ga verwarmen
Laat ik haar leven in m’n armen
Van sterren weefde ik het verre, ah, het Noorderlicht
Maar soms ben ik als kokend lood
Ik ben het leven en de dood
In vuur, in liefde, in alle tijden
M’n kind, ik troost je, kijk omhoog
Vandaag span ik mijn regenboog
Die is alleen voor jou.

(hij) Nee, nooit sta ik een seconde stil
(zij) ‘k Wil liever branden, neem me mee
(hij) Geen mens kan mij dwingen wanneer ik niet wil
(zij) Wanneer je vanavond gaat slapen in zee
(hij) Geen leven dat ik niet begon
(zij) En vliegen langs jouw hemelbaan
(hij) Je kunt niet houden van de zon
(zij) Ik wil niet meer bij jou vandaan
Ik heb je lief, zo lief.


Tegenland

In oude kathedralen,
van gotisch glas gebouwd,
liggen dode kardinalen
hun vriendinnen te beminnen
in steen en brons en goud.
en wijze uilen dalen
er neer, zo grijs als lood
met de echo van verhalen
die de vorsten hun vertellen
nog eeuwen na hun dood.

Zal ik blijven of verder gaan?
Ik trek mijn bonte jas met bellen aan,
mijn schelpenhoed, mijn staf ter hand,
zo wandel ik door Tegenland.

In morgennevels groeien
uit kratermeren koud
suikerlelies die gaan bloeien,
stijgend onder orgeltonen,
een klokkenspel van goud.
De wind waait uit het zuiden,
zodat je 't horen kunt
en het verre hoge luiden
in het sneeuwwit licht blijft hangen
dat ruikt naar pepermunt.

Zal ik blijven of verder gaan?
Ik trek mijn bonte jas met bellen aan,
mijn schelpenhoed, mijn staf ter hand,
zo wandel ik door Tegenland.

Ver boven alle dalen
en nevelbergen hoog,
hoger dan de zonnestralen
zal ik stijgen met mijn dromen
langs de glazen regenboog.
Het zal me toch wel lukken
aan het einde van de reis
om de gele maan te plukken.
Zou hij naar bananen smaken
of naar vanille-ijs?

Zal ik blijven of verder gaan?
Ik trek mijn bonte jas met bellen aan,
mijn schelpenhoed, mijn staf ter hand,
zo wandel ik door Tegenland.



Liefde Van Later


Als liefde zoveel jaar kan duren,
dan moet 't echt wel liefde zijn.
Ondanks de vele kille uren,
de domme fouten en de pijn.
Heel deze kamer om ons heen,
waar ons bed steeds heeft gestaan,
draagt sporen van een fel verleden,
die wilde hartstocht lijkt nu heen,
die zoete razernij vergaan,
de wapens waar we toen mee streden.
Ik hou van jou,
met heel m'n hart en ziel hou ik van jou,
langs zon en maan
tot aan het ochtendblauw,
ik hou nog steeds van jou.

Jij kent nu al m'n slimme streken,
ik ken allang jouw heksenspel.
Ik hoef niet meer om jou te smeken,
jij kent m'n zwakke plaatsen wel.
Soms liet ik jou te lang alleen,
misschien was wat je deed verkeerd,
maar ik had ook wel eens vriendinnen.
We waren jong en niet van steen,
zo hebben we dan toch geleerd,
je kunt altijd opnieuw beginnen.
Ik hou van jou,
met heel m'n hart en ziel hou ik van jou,
langs zon en maan
tot aan het ochtendblauw,
ik hou nog steeds van jou.

We hebben zoveel jaar gestreden,
tegen elkaar en met elkaar.
Maar rustig leven en tevreden,
is voor de liefde een gevaar.
Jij huilt allang niet meer zo snel,
ik laat me niet zo vlug meer gaan,
we houden onze woorden binnen.
Maar al beheersen we 't spel,
een ding blijft toch altijd bestaan,
de zoete oorlog van 't minnen.
Ik hou van jou,
met heel m'n hart en ziel hou ik van jou,
langs zon en maan
tot aan het ochtendblauw,
ik hou nog steeds van jou.
Voorgoed van jou...

Naar Jacques BREL, Les vieux amants



De Sneeuwkoningin

De wind streelt mijn haren

Van nevelsatijn

En stuift langs mijn mantel

Van sneeuwhermelijn

En boven alle bergen

Zal ik heersen over dwerg en dal

Met adem van sneeuw

En met ijzel van eeuwen


Ben ik de kou

Ben ik het ijs

Ben ik de dood

Ah ik ben de liefde


Ik zwaai met mijn mouwen

Van weerwolvenbont

Een ijsbloemen sluier

Daalt neer uit mijn mond

Het vuur glanst in de dwergenhut

Het dooft als ik de bergen schudt

In regens verdwenen

Van ijs, gruis en stenen


Ben ik de kou

Ben ik het ijs

Ben ik de dood

Ah ik ben de liefde


Mijn minnaar, de zon

Keerde terug van zijn reis

Hij kust met zijn stralen

Mijn lichaam van ijs

En 's avonds bloost mijn bergen rood

Mijn tranen zijn der dwergen dood

Hij zal mij verwarmen

Ik smelt in zijn armen


Ben ik de kou

Ben ik het ijs

Ben ik de dood

Ah ik ben de liefde


Prikkebeen

Hij staat in de sneeuw aan de poort van de stad
en prikt de dagen van december op zijn hoed.
Hij fluit zijn pluchen lapjeskat
want hij heeft last van muizenissen
die nesten maken in zijn baard.
Maar die laat hem altijd mooi fluiten,
het dier preekt ernstig voor de vissen
gevallen van een haringkar.

Hij lokt de dagen met zijn lied,
de dagen vliegen, hij blijft staan.
Waar komt hij vandaan?
Hij koestert de dagen van rood cellofaan,
van glitter en watten en sterrenpapier.
Geen mens kent zijn naam.

Meester Prikkebeen, Meester Prikkebeen,
de mensen lopen langs hem heen,
hij blijft alleen, Meester Prikkebeen.

Lantaarnopstekers gaan stil door de nacht,
hij speelt zijn draailier voor hun harige gezicht.
Slaap gerust, sluimer zacht.
Een paladijn met zijn soldaten
blijft even luisteren naar hem.
Toch blijft zijn schotel leeg, ze lachen.
Alleen een meisje blijft staan praten,
een mager meisje van plezier.

Waarom speel jij geen ander lied?
Je ogen en je mond zijn koud.
Ik weet geen refrein.
Ik draag op mijn borsten een sleutel van goud,
het licht in mijn oog is een ster die verschiet.
Zo kan ik niet zijn.

Meester Prikkebeen, Meester Prikkebeen,
de mensen lopen langs hem heen,
hij blijft alleen, Meester Prikkebeen.

Ze danst in de sneeuw en ze speelt tamboerijn
terwijl de lapjeskat heel stil de passie preekt.
Het geurt naar brood en warme wijn
en in de sneeuwnacht bij de ballen
verwachten ze het nieuwe jaar.
De laatste dag komt aangevlogen,
de laatste slagen zijn gevallen.
Een vuurpijl spuit de hemel in.

En morgen verdwijnen ze over het land.
Het nieuwe jaar is wijd en koel,
de bloemenwei is leeg en groen.
Nooit zien ze hem weer.
Wie weet wat de dagen dit jaar zullen doen.
Zij speelt met de kat en hij zwaait met zijn hand.
Vaarwel en tot ziens. Vaarwel en tot ziens.
Misschien tot ziens. Misschien tot ziens.

Meester Prikkebeen, Meester Prikkebeen,
de mensen lopen langs hem heen,
hij blijft alleen, Meester Prikkebeen.


Het land van Maas en Waal

Onder de groene hemel, in de blauwe zon

speelt het blikken harmonieorkest

in een grote regenton,

daar trekt over de heuvels

en door het grote bos

de lange stoet de bergen in

van het circus Jeroen Bosch,

we praten en we zingen en we lachen allemaal,

want daar achter de hoge bergen

ligt het land van Maas en Waal.

Ik loop gearmd met een kater voorop,

daarachter twee konijnen met een trechter op hun kop

en dan de grote snoeshaan, die legt een glazen ei,

wanneer je 't schudt dan sneeuwt het

op de Egmondse abdij.

Ik reik een meisje mijn koperen hand,

dan komen er twee Moren met hun slepen in de hand,

dan blaast er de fanfare, ter ere van de schaar,

die trouwt met de vingerhoed,

ze houden van elkaar.

En onder de purperen hemel in de bruine zon

speelt nog steeds het harmonieorkest

in een grote regenton,

daar trekt over de heuvels

en door het grote bos,

de lange stoet de bergen in

van het circus Jeroen Bosch,

en we praten en we zingen en we lachen allemaal,

want daar achter de hoge bergen

ligt het land van Maas en Waal.

We zijn aan de Koning van Spanje ontsnapt,

die had ons in zijn bed en zijn provisiekast betrapt

we staken alle kerken met brandewijn in brand,

't is koudvuur, dus het geeft niet,

het komt niet in de krant.

Het leed is geleden, de horizon schijnt,

wanneer de doden dronken zijn en Pierlala verdwijnt,

dan steken we de loftrompet en ook de dikke draak

en eten 's avonds zandgebak

op 't feestje bij Klaas Vaak.

En onder de zilveren hemel, in de gouden zon

speelt altijd het harmonieorkest

in een grote regenton,

daar trekt over de heuvels

en door het grote bos,

de stoet voorgoed de bergen in

van het circus Jeroen Bosch,

en we praten en we zingen en we lachen allemaal,

want daar achter de hoge bergen

ligt het land van Maas en Waal.


Endymion

Het weiland wacht geurig op 't kleurig gebeuren.

De zon gaat nu onder, mijn hart

telt de slagen van torens van verre.

Ik vraag aan de sterren: bescherm ons geluk deze nacht.

Dit zijn de uren die stilstaan en duren

als jij en ik liggen in sluiers van bloemen.

De nachtwind spint maanlicht

en speelt op de snaren 't onhoorbare lied van 't geluk.

'k Stond vaak aan de voet van jouw toren van sneeuwwit ivoor

en ik riep vaak je naam, maar je kon me niet horen.

En eens op een dag werd mijn hartslag zo helder en luid

en 't geluid deed jou komen op vleugels van dromen vannacht.

Je bent tussen schemer en donker gekomen.

Toen deed je je kleed uit van sterren en maanlicht.

Licht is de avond, geen wind zal ons vinden

hier onder de linde.

Kom hier en blijf bij mij tot de tijd,

tot de dauw ons zal wekken,

de zon ons ontdekken en jij zult vertrekken.

Maar nu komt het stralende maanlicht me halen.

We zwemmen door het licht van kristallen lantaarns.

En alles zal deze nacht schitterend schijnen.

En ik wil vergeten dat jij zult verdwijnen

als boven de bossen de hemel gaat branden van vuur.

Maar nu zal de tuin van de Melkweg gaan bloeien

met waaiers van bloesems en sluiers en zilver.

Jij en ik komen samen en we gaan hand in hand door de nacht

Ik luister naar 't lied van de rollende avond,

een echo weerspiegelt het licht in je ogen.

En we volgen elkaar naar de kusten van morgen

en we weten dat dit is geweest.