Test
Download document

NOLENS, Leonard


Krop

Ze staat bij het raam in de diepte

Te staren en wijst naar de mensen,

Ze zegt het alweer en alweer:

Het leven is niets, het is niets.

Hoor toch hoe flemend dat klinkt

Als ze fluistert en kreunt, met die wellust,

Het leven is niets, het is niets.

Het zwelt haar de mond uit, een lofzang

Op onze vergeefsheid, ze stelt me

De dood in een duidelijk daglicht,

Het leven is niets, het is niets.

En ik ga al, ik raap haar weer op

Uit die diepte en draag haar naar bed

En druk me weer tegen haar aan.

Ik ruk haar gezicht naar me toe

En lik en slik al haar tranen.

Ik eet haar zo gulzig de krop

Uit de keel dat zij snikt diep in mij.


Schatplichtig

Ze slaapt en dat is stil. Dan sneeuwt het in de kamers
Van het huis waarin ik slaap met mijn vriendin.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen,
Een groot en lastig beeld waaraan ik mij moet stoten,
Een scherp gewicht dat ik moet dragen alle dagen,
Alle nachten dat haar slaap me uit de slaap houdt.

Ik ben met haar alleen. Alleen met haar kom ik
De jaren afgewandeld want haar naam wijst me de weg
En in haar blik zie ik mijn blinde tijd weerspiegeld.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen
Waaraan ik heel mijn bot bestaan geslepen heb
En slijp, ook als ik slaap en roepend van haar droom.


Soeverein

Hier of ginder maar je blijft

Noodzakelijk, je bent niet vrij.

Ik heb je met mij opgezadeld

Voor het leven, er is voor ons

Geen andere uitweg dan wij.

Kijk, daar is het enige pad,

In de goot, in de wolken

Of onder de grond, maar daar

Is het oudste verbond van twee

Die elkaar niet hebben dood gekregen.

Ja, ik was liever alleen

En sereen, soeverein.

Maar ik ben niet vrij.

Ik blijf je noodzaak, blijf

Je prul, je god, je vod.


Bres I
…..
Wij zijn die eeuw, die twintigste

Zonder getal, ik zei het al

Met de precisie van en losgeslagen tong.

Maak van ons geen foto.

Heb compassie met een vrouw

Die haar maten niet kent,

En draai geen film over verlamde mannen.

Maak van ons geen mens en geen verhaal.

Wij zijn de naakten die zich hullen

In brandende vlaggen,

In de namen van geschonden grenzen.

Onze kleermaker zit zonder stof.

Wij trekken ons uniform van vlees

Over andermans boten om onszelf te zien.

Wij nemen elkaar de maat

Met de mateloze centimeter van Gods afwezigheid.

Onze doorgeleerde mond is een vergissing

Of een gissing, en ons axioma luidt:

Wij weten niets. Wij weten niets.

Dat leren wij de kinderen op school.
…..