Test
Download document

OUWENS, Kees


Een groot schrijver

Ik legde mijn pen neer en begaf mij
naar buiten.
Daar keek ik omhoog en zag de sterren.
Het was een stille nacht.
Ik ben een groot schrijver,
dacht ik.

Toen begaf ik mij weer naar binnen,
om die regel op te schrijven
en er schoot mij een traan te
binnen, die op mijn schrift viel.
Ik huilde om de waarheid.



De dauw

Ik liep eenzaam.
Korstige paden ontrokken zich aan mijn voet.
Verre dampen zag ik en
zwart was alles om mij heen.
De muren van de nacht lagen over me.
Zo zwaar was ik van binnen en
drassig mijn hart, de dauw reeds
op mijn wangen, zocht ik heilloos en
verloren naar jou, of naar iets anders,
en iets hield zijn adem in en bleef op
onveranderlijke afstand meewarig en
verwonderd achter me.



Slechts nacht

Buiten adem verliet ik de woning. En het was alsof duisternis over mij kwam.
Jachtige wolken trokken voorbij, zo haastig. Met
flarden maan. Zo spoedde ik mij heen, langs eindige trottoirs, de
bleke lippen strak – als een streep. Afwisselend was hier
gewas, met bomen, stijfkoppig almaar zichzelf
staande houdend, met mij langs glijdend, als schim. Zo
gejaagd was ik nu, sneller, sneller, spoedde ik mij,
herwaarts, reeds lang geen stoepen meer, noch wegen,
slechts paden onder mijn haastige voet, slechts
nacht, als onafzienbare steppe. O, ik hield van mij,
en daarom weende ik, alsof ik verloren ging.