Test
Download document

PAALTJENS, Piet (François Haverschmidt)


IMMORTELLE C

Zoals ik eenmaal beminde,

Zo minde er op aarde nooit een,

Maar 'k vond, tot wie ik mij wendde,

Slechts harten van ijs en van steen.

Toen stierf mijn geloof aan de vriendschap,

Mijn hoop en mijn liefde verdween,

En zoals mijn hart toen haatte,

Zo haatte er op aarde nooit een.

En sombere, bittere liedren

Zijn aan mijn lippen ontgleên;

Zo somber en bitter als ik zong,

Zo zong er op aarde nooit een.

Verveeld heeft mij eindlijk dat haten,

Dat eeuwig gezang en geween.

Ik zweeg, en zoals ik nu zwijg,

Zo zweeg er op aarde nooit een.


Immortelle XVI

Zijn goudblonde lokken en knevel,

Zijn geestvolle neus en mond,

Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem

En zijn New-Foundlandse hond.

Ik moet er gedurig aan denken;

Zelfs adem ik soms nog flauw

De geur in van zijn sigaren

Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw.

Ruik ik opnieuw die sigaren,

Dan word ik eensklaps zo raar

Is 't, omdat hij ze rookte,

Of was de tabak mij te zwaar?


De zelfmoordenaar

In het diepst van het woud

- 't Was al herfst en erg koud -

Liep een heer in zijn eentje te dwalen.

Och, zijn oog zag zo dof!

En zijn goed zat zo slof!

En hij tandknerste, als was hij aan 't malen.

"Ha!" dus riep hij verwoed,

"'k Heb een adder gebroed,

Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!"

En hij sloeg op zijn jas,

En hij trapte in een plas;

't Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.

En meteen zocht zijn blik

Naar een eikentak, dik

Genoeg om zijn lichaam te torsen.

Daarna haalde hij een strop

Uit zijn zak, hing zich op,

En toen kon hij zich niet meer bemorsen.

Het werd stil in het woud

En wel tienmaal zo koud,

Want de wintertijd kwam. En intussen

Hing maar steeds aan zijn tak,

Op zijn dode gemak,

Die mijnheer, tot verbazing der mussen.

En de winter vlood heen,

Want de lente verscheen,

Om opnieuw voor de zomer te wijken.

Toen dan zwierf - 't was erg warm -

Er een paar arm in arm

Door het woud. Maar wat stond dát te kijken!

Want, terwijl het, zo zacht

Kozend, voortliep en dacht:

Hier onder deez' eik is 't goed vrijen,

Kwam een laars van de man,

Die daar boven hing, van

Zijn reeds lang verteerd linkerbeen glijen.

"Al mijn leven! vanwaar

Komt die laars?" riep het paar,

En werktuiglijk keek het naar boven.

En daar zag het met schrik

Die mijnheer, eens zo dik

En nu tot een geraamte afgekloven.

Op zijn grijzende kop

Stond zijn hoed nog rechtop,

Maar de rand was er af. Al zijn linnen

Was gerafeld en grauw.

Door een gat in zijn mouw

Blikten mieren en wurmen en spinnen.

Zijn horloge stond stil,

En één glas van zijn bril

Was kapot en het ander beslagen.

Op de rand van een zak

Van zijn vest zat een slak,

Een erg slijmrige slak, stil te knagen.

In een wip was de lust

Om te vrijen geblust

Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het te spreken.

't Zag van schrik zó spierwit

Als een laken, wen dit

Reeds een dag op het gras ligt te bleken.