Test
Download document

PELEMAN, Bert


Kantiek

Dit is het volk der beide Breugels;

het boerenvolk, dat bloed noch bodem schendt,

dat trots aan zwaarfluwelen teugels,

de paarden naar de jaarmarkt ment.

Dit is het volk van Jeroen Bosch,

dat boet, en blootvoets beevaart gaat,

maar voor een bruiloftsmaal de vetste os

al zingend naar het haardvuur braadt.

Dit is het volk van Rembrandt en van Brouwer,

dat arm geplunderd, om geen aalmoes vraagt,

maar sterk en op zijn donkere schouwer

het gerstenbier bij hecto’s draagt.

Dit is het volk van Memling en Metsijs,

dat peilt de zin der eeuwigheid

en onder wolken, Scheldegrijs,

met zijn processies door de velden schrijdt.

Dit is het volk van Rubens en Van Dijck,

het boerenvolk dat in zijn vuisten klemt

het asseschrijn van Klaas’ verkoolde lijk

en bij de opmars feestfanfaren stemt.


Laat ons liefste, samen varen

Kent gij lief de diepe wat'ren van mijn schone Scheldeland ?

Waar de golven lichtend klat'ren, waar de hemel openbrandt ?

Dag en nacht wou 'k er verwijlen met u liefste aan mijn zij,

lijk de sloepen zachtjes zeilen op het deinen van de tij.

Laat ons, liefste, samen varen, door mijn schone Scheldeland.

Met wat bloemkens in uw haren, bloemkens van de waterkant.

Kent gij lief de groene dijken met het glanzend grazend vee ?

Waar de golven schuimend wijken voor de wekroep van de zee ?

Dromend bij de wilgentronken heb 'k er steeds aan u gedacht,

wijl de waterlelies blonken in de zuiv're zomernacht.

Laat ons, liefste, samen varen, door mijn schone Scheldeland.

Met wat bloemkens in uw haren, bloemkens van de waterkant.

Zaagt gij lief de sloepen varen zeilend door mijn Scheldeland ?

In de glans der notelaren bloeiend langs de waterkant ?

Zon en maan gaat door de wolken, goud en zilv'rig ruist er 't riet.

En in 't diepst der waterkolken zingt de vloed zijn toverlied.

Laat ons, liefste, samen varen, door mijn schone Scheldeland.

Met wat bloemkens in uw haren, bloemkens van de waterkant.