Test
Download document

CLAES, Ernest



Charelke Dop

…..
't Is maar sedert enige jaren dat ik er wat beter voorzit en niet meer vandoen heb te werken. Ik woonde vroeger hier te Diest, gelijk als nu, in het Keersegangske, vlak achter de kerk van Sint Sulpis, maar een beetje wijder de straat in waar 't niet zo deftig is. Sedert de dood van Anzelien-zaliger zat ik daar alleen, en zette de commerce voort, en ik verkocht daar alle soort van suikergoed, chocolade, tabletten, zwarte babbeleers, hamers, suikerstokken, nobelewitjes, zurebollekes, stroophorekes, perla-grekskes, en nog twee ander soorten van koekskes, jujub, en moppen. Voor het venster lagen dan nog griffels en pennestokken, marrebollen, fluitjes, en in een pint stenen pijpen en op de toog stond een loterijdoos met chocoladegoed van één cent het lot. 't Stond allemaal in glazen potten en kartonnen dozen, en elke zaterdag werd er het stof afgeveegd, en mijn affaire blonk van propereteit. In de zomer had ik er veel last van de vliegen en de wespen.
…..
(…) en met mijn twee passen kwam ik overal binnen en buiten. De burgemeesters en de pastoors en de rijke heren namen me voor een echte Bels, die met de grote heren van ’t komiteit werkte, en ik beloofde aan de ene en de andere een decoratie tegen dat het goevernement weerom kwam, en ze vertelden me veel geheimen waaruit ik meer dan eens profijt heb kunnen trekken bij de Duits. Aan de staties en bij ’t inkomen van Brussel lieten de Duitse schildwachten me overal door, (…) Commerce is commerce, en Charelke Dop was volop aan ’t rijk worden.

…..
’t Soort van mensen waar ik absoluut geen allianschap mee gemaakt heb, dat waren de Activisten. Wat die eigenlijk wilden dat weet ik niet. Ik kwam er veel tegen swenst ik mijn commerce deed, en ik geloof niet dat er ene is die er geld mee verdiend heeft. Na de oorlog heb ik gezien dat ik verstandig gehandeld heb met me niet op te houden met dat soort. Daar is er geen ene die van de oorlog heeft weten te profiteren, en ’t is maar goed dat ze die mannen in de bak gestoken hebben.

Ik trok met Sefie naar Brussel en Antwerpen, en we gingen in alle banken een som uitwisselen, acht dagen lang. We namen het geld van de kennissen mee, met hun kart-de-dantitee, we deden daar van onze marken bij, en zo ging het allemaal door, met valse en echte namen, en na tien dagen hadden we voor al ons Duits geld Bels geld.
…..
(…) en drie weken later werd ik op het stadhuis geroepen, en de eerste schepen zei met een beetje jaloezie, docht me, dat ik nu Ridder was van de Kroonorde. (…) Hij vroeg of ‘m het in ’t Frans of in ’t Vlaams moest aflezen, en ik zei dat ik het nog zo lief in ’t Frans had, …

…..

De Witte

…..
Aan de hof van Roos Baman wierp hij eens met zijn klomp naar de zwaar beladen kersentak die over de tuinmuur hing, zonder te raken. Bij de kantonnier deed hij een paar stenen in 't open keldergat rollen. Bij Wizze nevens de Demerbrug vroeg hij aan Dikke Trien, de fruitverkoopster, ‘of ze gien rotte krieken haa die ze nie miêr kost verkoêpe’, waarop Trien hem toebeet ‘da ze verdomme noêit èn rotte kriek verkocht’, maar hem toch met hare vuile zwarte klauw enige rottig-rijpe kersen in de hand duwde. De Witte bekeek ze eens met een vieselijk oog en gooide ze dan uit alle kracht naar Trien haar kop en door het huis, zo dat ze aan de andere kant spattend tegen de muur uiteenkwatsten, en hij riep al weglopend: ‘Ze rieke te straf noar oeve sjenèveloasem!’ - Verder trakte hij nergens meer, daar het anders te laat zou worden.

Aan zijn huis gekomen rook hij al, voor hij de deur opentrok, dat er ajuinsaus was en spek. Hij trad binnen zonder goedendag te zeggen, en de anderen praatten en deden kalm voort aan den eet, alsof ze de Witte niet eens zagen binnenkomen. Ze hadden hun soep al uit, en waren bezig de aardappelen met ajuinsaus en spek te verorberen, en de soepkom stond naast de tafel op de vloer. Ze waren niet gewoon op de Witte te wachten voor het eten, omdat hij daar eerst en vooral nog veel te jong voor was, en omdat ze verder nooit zeker waren van zijn thuiskomst. Vader had zelfs op een avond, dat de Witte ten achte nog niet binnen was, met een vuistslag op tafel verzekerd dat ‘die verdekkesche lorejas wel èn hiêl weik zaa derve wegblijve’, en Heinke had het ontkend omdat de Witte altijd zoo 'n grote honger had. De Witte eiste het natuurlijk ook niet dat ze op hem wachtten, maar nu dat hij voor éen keer bijna op tijd thuis was, en de voormiddag hem juist niet in een plezierige stemming had gebracht, zette hij zich met een zuur bokkig gezicht aan tafel-

…..


Daar is een mens verdronken

…..
“Ze hebben Paulien geslagen. René, onze goede oude Paulien hebben ze om mijnentwil geslagen. God mag het hun vergeven, maar ik kan niet. Ik ben God niet.”

Zo schreef Meester Noteleirs op zijn kamer de laatste bladzijden van zijn Dagboek.

En als hij niet schreef en daar alleen peinzend zitten bleef, met de handen gevouwen op de knie, dan sloeg hij het gordijn weg voor het raam, zodat hij over de Grote Baan naar Brussel kon zien, van aan het kerkplein tot achter het Patersklooster. Het was of hij van daar iemand verwachtte. Telkens als hij op de steenweg een fietser of een eenzame man in de richting van het dorp zag aankomen, volgden zijn blikken hem met gespannen aandacht, tot de fietser of wandelaar in een zijweg of onder zijn raam verdween. Het was toen ook dat hij, als hij van zijn wandeling thuiskwam, aan Remy Claessens begon te vragen: “Is er iemand voor mij hier geweest?”

Want ja, Meester Noteleirs wachtte op iemand. Hij wachtte elke dag op zijn zoon, of die niet over die lange baan naar huis zou terugkomen, en hem van verre met zijn jonge blijde stem zou toeroepen.

En die zoon kwam op een keer.

Hij kwam op die zonnig zachte najaarsdag, toen Meester Noteleirs zijn laatste woorden geschreven had in zijn Dagboek: “Ik hoor het, mijn kind, gij klopt op de deur. En ik zal weer opstaan en opendoen. Ook voor u, Reneetje, zal eenmaal Vlaand…”

…..


De nieuwe ambtenaar

…..
Van Bever heeft nooit avonturen beleefd. Daarvoor is hij een te geruste ziel, en boven de zestig. Maar dit grote uur van Van Bever is ook het meest gevaarlijke van zijn ambtenaarsloopbaan geweest.

Kwart voor twaalf komen de juryleden terug in de zaal, tamelijk aangeschoten, rood van gezicht en met flauwe ogen. De ernstige mijnheer Kersten heeft de hik en zijn das zit erg scheef. De weinig ernstige mijnheer Van Dormael lacht aldoor met de laatste mop van mijnheer Kersten. Van Bever fluistert mijnheer Selleslaghs in het oor:

“Alles is goed afgelopen … Die blonde jongen ginder, dat lijkt me nog wel een van de verstandigsten … en die juffrouw …”

“Ja,” knikt de voorzitter van de jury met een beate glimlach terwijl hij naar een kandidaat kijkt die achter de blonde jongen zit.

De kandidaten gaan nu een voor een weg, na eerst hun papieren aan Van Bever te hebben afgegeven. Ook de mooie jonge dames.

Als het witte zijden bloesje de zaal verlaat, slaat Van Bever het blad open dat zij hem lief glimlachend heeft overhandigd. Hij verwacht er min of meer een briefje in … Neen, een goed getekende karikatuur van hem zelf, met dikke blaaskaken, visogen, schelporen, pommadekop, en daaronder:


“Mon Amour, mon Ange, mon Zieleman, mon petit Rietepietie. Je t’adore, je t’embrasse, mes yeux te possèdent, tu es une crême … Voici ton portrait!”.

Ta petite crotje

Lieske Roumans.

(pour les Messieurs: Ritsepitje).



Van Bever, achtbaar huissier van eerste klas, wordt wit.

Daar lekt een traan op zijn hart.

Hij heeft het examenresultaat van ritsepitje heimelijk in zijn binnenzak gefrummeld.

…..



Gerechtelijke dwaling

…..
Mijn eerste werk na mijn thuiskomst was aan de hoofdredacteur van de krant te schrijven dat het gerecht eindelijk had ingezien dat mij onrecht was aangedaan, dat mijn geval geëindigd was met ‘classé sans suite’ - (over burgerrechten sprak ik niet) - en dat ik mij bereid hield om onmiddellijk mijn taak in de redactie weer op te nemen met meer ijver dan ooit. Een ogenblik dacht ik er aan er als conditie bij te voegen dat ik niet meer wilde belast worden met ‘humoristische schetsen’, maar ik deed het niet. Ik wachtte met ongeduld op het antwoord. Het kwam acht dagen later, van de redactie-secretaris Huyghelen, die mij in een paar korte en koele regels liet weten, dat de redactie tot haar spijt niet verder van mijn diensten kon gebruik maken.

Ik trok ’s anderendaags naar de krant, woedend, ik zat er een uur in het wachtkamertje waar ik zelf zo dikwijls vaders en moeders of kinderen van incivieken had laten wachten om ze daarna ongehoord te laten vertrekken. Hetzelfde gebeurde nu met mij. Een bureeljongen kwam mij astrantig zeggen dat de hoofdredacteur geen tijd had om me te ontvangen en verder voor mij niets kon doen. Ik wachtte beneden op straat tot mijn collega en vriend Breugelmans buitenkwam. Met rood verlegen gezicht gaf hij mij de hand. Ik liep langs hem op en vertelde hem alles, alles, in ’t lang en in ’t breed. Hij zweeg. Ik werd gewaar dat hij beschaamd was naast mij te lopen. Op de Place de Brouckère stapte hij ineens op de tram en zegde: ‘Ja, Geert, maar daar zal toch wel iets van waar zijn’.

Ik schreef ’s anderendaags aan een andere krant, ik schreef aan alle kranten, en kreeg van niemand een antwoord. Mijn loopbaan als journalist was ten einde.

Ondertussen werd ik elke dag rond vier uur vereerd met het bezoek van een politie-agent, altijd dezelfde. Telkens als er om die tijd gebeld werd sprong mijn vrouw verschrikt recht, werd doodsbleek, en was op het punt een zenuwcrisis te krijgen. Ik moest in de gang komen om mij te laten zien. De agent bekeek me even, en nog voor ik iets kon vragen zegde hij: ‘C’est bon!’ en was weg. Door mijn eigen domme schuld heeft dat politiebezoek veertien dagen langer geduurd dan het van rechtswege nodig was. Het moest inderdaad, zoals ik naderhand vernam, na acht dagen afgelopen zijn. Maar ik beging de dwaasheid de vierde dag aan die agent een borrel en een sigaar aan te bieden, met de hoop dat niet elke dag meer zou komen. Maar hij kwam wel elke dag, en mij docht met nog meer plichtsbesef, en daar ik, hem eenmaal had getrakteerd was er geen reden om dat de volgende keren ok niet te doen. Hij bleef er trouwens staan op wachten. Na acht dagen is de loebas blijven komen, zonder iets te zeggen, alleen om die borrel en die sigaar. Hij hiet Laureyssens. Hij heeft me zelfs een lange historie verteld over de twee zonen van zijn zuster ‘die ook in de bak hadden gezeten, mijnheer’. Als troost.

Ik kreeg uitsluitend bezoek van incivieken, en het waren er dan nog van de gemeenste soort. Ze spraken mij aan als hun kameraad. Ze waren allemaal zeer hoffelijk voor mijn vrouw die daaraan zeer gevoelig was en die daardoor ook stilaan inciviek begon te voelen. Bijna niemand in onze straat groet mij nog, en als ik achter mijn raam sta kan ik zien dat vele voorbijgangers met misprijzende achterdocht naar mijn voordeur kijken. Op een maandagmorgen, na een vaderlands feest daags te voren, waren er met pek drie hakenkruisen op mijn gevel geschilderd. Ge kunt het nog altijd zien.

Die zelfde dag heb ik De Vulgaire Geschiedenis van Charelke Dop uit mijn boekenkast gerukt, ik heb het werk wel in duizend snippers gescheurd, ik heb er met razende tanden in gebeten, ik heb op de stukken gestampt, er op gespuwd, en daarna alles - niet in de papiermand - in de vuilnisbak gegooid. En had ik die Ernest Claes op dit ogenblik onder handen gekregen… Want hij met zijn Charelke Dop draagt de schuld dat ik een humoristische schets heb willen schrijven en dat ik nu met sigaren leur.

Want ik leur met sigaren. Op een morgen verliet ik mijn huis met een zwaar valies. Ik heb klanten gezocht en gevonden, eerst te Brussel, dan verder, en nu reis ik door heel het land. Maar al mijn klanten zijn incivieken.

Ik heb maar een enkele keer affronten opgelopen. Ik had vernomen dat de neef van mijnheer Van Casteren, de directeur van de drukkerij, mijn plaats gekregen had in de redactie. Die neef was tijdens de oorlog hevig Rexist en had zelfs aan een blad van de nieuwe orde meegewerkt. Dat weet ik beslist. Ik dacht: die zal zeker wat van me kopen. Maar ja wel. Ik stond met mijn valies in de gang, en van op de trap riep hij: ‘Hier komen geen incivieken in huis!’ en hij wees naar de deur. Moet ge daar schurk voor zijn.

Natuurlijk spreek ik met geen van mijn klanten over de Résistance. Bij de ene laat ik halvelings verstaan dat ik zo iets als Todt of N.S.K.K. ben geweest, bij de ander dat ik zo min of meer aan Le Soir volé had meegewerkt, en toen ik op een schone dag aan een dokter liet horen dat ‘Legioen Vlaanderen’ mij niet helemaal vreemd was, kocht die dadelijk vier kistjes van mijn duurste sigaren. En zelf rookte hij niet. Een fabrikant te Kortrijk vroeg mij eens, terwijl ik hem mijn waar aanbood, of ik een bewijs van burgertrouw had. Ietwat verrast en verlegen antwoordde ik neen, en ik maakte mij reeds klaar om onverrichterzake weg te gaan. ‘Dat is maar gelukkig’, zegde hij toen. ‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Wel, zegde hij, die met hun certificat de civisme hebben gewoonlijk iets te verbergen, ik betrouw ze niet, ik heb er geen een in mijn zaak.’ Hij kocht twee kistjes van vijftig en ik moest iedere maand terugkomen.

En het gaat zo stilaan. Ik verdien een schamel stuk brood. Ik heb nu overal vaste klanten.

Daar zijn plaatsen waar ik bijna huis voor huis welwillend ontvangen word. Want wij incivieken zijn veel talrijker dan iemand weet.

…..