Test
Download document

REVIUS, Jacobus


Werelt

De wereld is vervuld met droefenis en klagen,
Vol snode lastering en vol onwaardigheid,
Vol vuile ogen-lust, en vol lichtvaardigheid,
Vol onverdiende haat en dodelijke lagen,

De wereld is vergift met wroegen ende knagen,
Vol stege wrevelmoed en vol hovaardigheid,
Vol ongebonden zucht en vol kwaadaardigheid,
Vol zonden opgehoopt, vol opgehoopte plagen.

O herten die nog zijt van hare strikken vrij
Vliet verre van dees trouw- en liefdeloze prij.
Al is ze nog zo schoon versierd en bepeireld.

Vraagt niet, hoe kan het zijn dat zij zo goddeloos,
Zo eer-vergeten zij en overgeven boos?
Eilaas! het is omdat de wereld is de weireld .


(Bewerking Z. DE MEESTER)


Antichrist

Wanneer de ruige sneeuw de Alpen niet zal dekken,
Wanneer de zomer heet zal ijzelen van kou,
Wanneer de locht het land zal weigeren de dauw,
Wanneer ‘t' gedierte zal de Oceaan uitlekken,
Wanneer de noorder-pool de zeilsteen niet zal trekken,
Wanneer de grijze wolf het schaap zal wezen trouw,
Wanneer de vrouw een man, de man zal zijn een vrouw,
Wanneer de aard' haar zal rondom de hemel strekken,
Wanneer de zon en maan verwisselen haar beurt,
Wanneer eens mensenhand die van de hemel scheurt,
Wanneer de Seraphim haar Schepper niet beminnen,
Wanneer de Heer zijn kracht en goedheid derven zal,
Wanneer Gods Zoon nog eens aan ‘t kruise sterven zal,
Zo zal de Antichrist Gods kinders overwinnen .


Hy droech onse smerten

T'en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,

Noch die verradelijck u togen voort gericht,

Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,

Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten,

T'en sijn de crijchs-luy niet die met haer felle vuysten

Den rietstock hebben of den hamer opgelicht,

Of het vervloecte hout op Golgotha gesticht,

Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuyschten:

Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit heb gedaen,

Ick ben den swaren boom die u had overlaen,

Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden,

De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,

De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech:

Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.


Schoon is het gout

Schoon is het gout het schoonste der metalen
Schoon t'alebast, en t'luchtige crystal,
Schoon is het licht wanneer de son gaet dalen,
Schoon t'elpenbeen, en t'rosenroot coral,
Schoon is de mey met bloemen sonder tal,
Schoon is de Seeg' met haer becranste sweerden,
Maer, die de croon moet draeghen boven al,
Schoon is de vree de schoonste opder eerden


Leven

Dit leven is gants niet, om dat de zware sonden,

Van blijschap en geluck het maken naeckt en bloot,

Dit leven is gants niet, om dat van sâmoeders schoot

Den mensch tot in het graf met smerten is gebonden.

Dit leven is gants niet, om dat te geenen stonden

Die tâleven heeft ontfaen is seker voor de doot,

Dit leven is gants niet, om dattet als een cloot

Rolt stadich na het eyndâ en snellijck is verswonden.

Dit leven is gants niet, om dat gelijck vergaen

De wijse met den dwaes, de goede met de quaen,

En huyden leyt hy neer die gister was verheven.

Dit leven is al veel (wanneerment wel betracht)

Om datmen seker hoopt enveylichlijck verwacht

Wel levende alhier, hiernamaels tâeeuwich leven.


Bruid*

Mijn Lief is wit, gans rein en onbesmettet.

Mijn Lief is rood, in ’t minnebloed genettet.

Hij draagt de vaan waar menig dapper held

hem onder stelt.

Zijn godd’lijk hoofd, als goud fijn uitgegraven,

zijn mann’lijk haar is pikzwart als een raven,

zijn ogen vast staan als een diamant

in ’t goud geplant.

Zijn mond is vol van liefelijke reden,

ja, hij is vol van boven tot beneden

van huld’ en heil. Ziet, zulk een is mijn Heer

en nog veel meer.

Mijn Liefste is in zijnen hof gaan weien

In lovers dicht en witte-groene meien

waar zijn gezaai veel rijpe vruchten draagt

’t welk hem behaagt.


Mijn Lief is mijn, hij zal het ook wel blijven:

hem kom ik toe, en zal aan hem beklijven.

In ’t paradijs waar hij mij leiden zal

ik weiden zal.

* Bruid = Kerk (Bruidegom = Christus)