Test
Download document

VAN LANGENDONCK, Prosper


De zwerver

De heide ontrolt haar bruine vacht

langs de eindloze avondvlakte,

waarop een grauwe wolkenvracht

in klamme neevlen zakte.

De raven gieren krassend rond,

loom zwoegend door de locht,

en stuwen traag ten horizont

haar hongerige tocht.

Waar ligt nu 't doel? Waarheen de gang

al door de woeste heiden?

Geen jachtroersknal, geen klokkenklank

kan d'oude Zwerver leiden,

die, stijf en stram en moe van 't àl,

zó hopeloos alleen,

een spoor zoekt dat hem voeren zal

ter uitkomste - of waarheen?....


Langs zomervelden

Langs zomervelden wil ik zwerven,

waar hemelreine liedren zingen,

die tot de grond des harten dringen,

langs zomervelden, waar het koren

goudglanzig deint in wijde golven,

vol kollen, in die zee verloren,

roodlachend nu, dan weer bedolven.

Langs zomervelden wil ik zwerven,

oneindig breed als oceanen,

waar nooit de blauwe sferen tanen,

geen woud begrenst de verre kimmen;

waar, boven 't werelds kleine en boze,

de ziel, in 't warme licht aan 't klimmen,

gans wegsmelt in het eindeloze.

Langs zomervelden wil ik zwerven,

waar, uit den hoge, 't heimvol duister,

doorzilverd van de starrenluister,

neerzinkt als dauwvocht zoet en lavend;

waar starren liefdevonken wekken,

en, in de weeldevolle avond,

onze armen zich ten hemel strekken.


Langs de Nete

Aan mijn vriend, Dr. Graevell

Lijzig rimplend vloeit de Nete

door de diepe dennenwouden,

door de weiden, langs de dreven,

in dit land van peis en vreê,

wouden, lanen, vee en hoeven,

slanke scherpgespitste torens

en de dunbewolkte hemel

wentlend in heur rimpling mee.

Glijdende uchtendzonnestralen

zilvren fijn de lichte nevel,

traagzaam wuivend om het landschap

als een sluier, maagdelijk blank;

en geen klank trilt in die stilte

dan, van verre - o ver! - gevaren,

slechts, bij pozen, halvling hoorbaar,

een verdoofde torenklank.

Schone droom! Hier, bij die Nete,

zacht het hoofd ter ruste leggen

en verzinken in die diepe,

blauwe en groene, oneindigheid...

niet meer denken, niet meer dromen,

niet gevoelen, niet beminnen,

zwaar van 't borlend sap der aarde,

dat u loom in de adren glijdt.

En met lijf en ziel vergroeien

in dat zielloos plantenleven;

onder sneeuw en ijs gedoken,

slapen er, de winter rond,

om eens, door de lente ontzwachteld,

als een reus weer op te rijzen,

rijk van 't diep en krachtig leven

van de milde moedergrond.


Hannibal

Daar op de ruwe kant der Alpen, als een slang

in pijnlijk zwoegen opwaarts kronklend, wild omstoven

door sneeuwjacht, klimt langs steile rotsen, diepe kloven

het heir van Hannibal reeds uren, uren lang ...

En ijslijk wordt de kamp en eindloos schijnt het sloven

en wroeten; wanhoop grijpt hen aan; wijl rang aan rang

bezwijken, huilt de wind der sombre dodenzang,

en 't oproer zwelt en 't leger staakt de tocht naar boven ...

Vol spijt aanschouwt de held die laffe muiterij,

die 't reuzenwerk vernielt, zo na bij 't doel gekomen;

hij spreekt: wat diepe toon van sombre razernij!

De ontgloeide scharen rukken de bergen over, stromen

Itaaljen in; haar strijdzang dreunt als 't stormgetij ..

Ginds, aan de Tiber, beeft het nooit verwonnen Romen.


En verre tochten gaan

En verre tochten gaan en zullen gaan...

En schepen varen heen en zullen varen...

En ogen staren na en zullen staren...

't Slaat wild, mijn harte, en wilder zal het slaan!...

Geen woud, doorkruist van wegel, baan en laan,

- een oerwoud!... Ach! een droom, die op kan klaren,

en is geen droom; vervulde wensen baren

steeds nieuwe wens, en 't kan niet stille staan,

mijn hart, en 't gaat en gaat van in der eeuwen,

en bouwt en bonst en breekt en bouwt, en tart

al wat gewoonte en wisheid tegenschreeuwen,

zoekt smart in vreugde en dan weer vreugde in smart,

- week kinderhart, ontembaar hart der leeuwen,

mijn mensenhart, - o mensdom in mijn hart!...


Ik weet niet

Ik weet niet waar ik ga,

Ik weet niet waar ik sta,

en waar ik waar en vaar

en angstig henenstaar,

waarheen mij feller sart,

hoe lastiger mij viel,

het jagen van mijn hart,

het smachten van mijn ziel.

Mijn ziel is moede en krank

en hoort geen stemmenklank,

en vindt geen vaste baan

in 't ijlend ommegaan,

en wentelt buiten 't spoor,

door 's Eeuwgen hand geleid,

gelijk een dwaalster door

de onpeilbare eeuwigheid.

Mijn God! erbarmen! God,

met dit ellendig lot,

en blus die stage brand

van 't schroeiend ingewand.

Uit d'afgrond van de pijn,

waarin ik redloos viel,

ik roep u: rèd, red mijn

onsterfelijke ziel!


Maskers

De wereld lacht; steeds klinkt haar spotlied ons in de oren.

't Vliegt, weergekaatst van d'een naar d'andre kant der straat.

Verzwonden schijnt de smart, wijl 't treurspel ledig staat

en klucht of boert alleen nog hart en geest bekoren.

Ach! ieder ding heeft thans zijn zin verloren!

't Woord is de mom der gedachte. Sombre haat

zweeft in de zoetste lach der vriendschap op 't gelaat,

en door een spotwoord voelt men teedre liefde boren.

Wat vond men lust in meenge traan, in blij geschat

vertwijfling, kon men door die maskers henendringen:

Werd heel de wereld niet een vastenavondbal?

Wij juichen, wen in 't oog ons bittre tranen springen

van spijt en wanhoop. - Wie doorgrondt, in 't mensenhart,

het weëeen van de vreugde en 't lachen van de smart?


Gij zegt mij, vriend...

Gij zegt mij, vriend: "o spreek uw lijdend hart

in schoonheid uit, die licht uw lijden stilt:

de stem der goudgelokte muze trilt

met dubble glorie op de snaar der smart."

Maar kent gij onrecht, waarbij 't hart verkilt,

zo diep wraakroepend dat men, 't oog verstard

voor immer, wars van troost, in haat verhard,

stom voor het noodlot staat, en zucht noch gilt?

Ik ben niet van diegenen, die men breekt

en dan, als kindren, zoete woordjes spreekt.

ze paaiend met een kaatsbal of een pop.

Mijn stomme smart, zij blijft de waardigheid

mijn leven, en mijn diep verzet, en 'k schrijd

in 't duister voort, en krop mijn tranen op.


Ik voel mijn leven..

Ik voel mijn leven door mijn vingren vlieten,

dat leven zonder liefde en zonder zegen,

en de allerlaatste hoop dit hart ontschieten,

zo afgebeuld langs alle martelwegen.

Geen trouwe borst zwelt ooit de mijne tegen;

geen milde hand zal mij genadig gieten

de zoete wijn des levens. - Kalm bewegen

in teer genegen zijn en zacht genieten! -

O droom van hoge schoonheid, die mijn schreden

voorlichtte, - tot uw puurste glans gerezen

vervliet ge allengs...

En 't jammerlijk verleden

jaagt stormend door de diepten van mijn wezen

in zulk een koorts van haat en woede aan 't loeien

als stond heel de aarde in vlammend bloed te gloeien.


Aan Guido Gezelle

Zwaar peinzend hoofd, met eeuwigheid omtogen,

doorgroefd van voren, door de idee geleid,

diep over al dat werelds wee gebogen,

dat, staag opwellend, in Uw boezem schreit;

schoon hoofd, wars van versiering, los van logen,

wijd-stralend brandpunt van àl-menselijkheid,

waarop, nu 't aardse leven is vervlogen,

een glans van eeuwig leven ligt gespreid:

in laaie liefdevlammen gaan ons harten

tot U, die al hun liefd' hebt voorgevoeld,

en duizendvoud doorvoeld uw fijnste smarten,

met gal gelaafd, door 't waanwijs volkje omjoeld,

waarop Gij nederschouwt met zielvolle ogen,

groots van vergiffenis en mededogen...