Test
Download document

DE HARDUWIJN, Justus


De weerliicke Liefden tot Roose-mond


O blond-gestruiveld haar! haar dat de Zonn’ beraait,

dat mijn jonk-jarig hert houdt zo strange bevangen.

O tanden van ivoor! o sneewwittige wangen,

die t’pinceel van Apell’ met purper heeft befraaid!


O lipjes daaruit dat liefde zijn schichten zaait!

O mond daaruit dat stort de jeugd haar zoete zangen.

O wel-besneden hand, die om mijn pijn t’herlangen

ontsteekt van nieuws de toorts, die eens was uitgewaaid.


O oogskens, biênde vreugd en droefheid van gelijke!

O borstjens die bezit Cupido voor zijn rijke!

O keel, diens zoet geluid zolang in d’ore blijft!


O kuskens, die mij dwaas ijdel troost-hope geven!

O zoet-zurige spraak, die nu smeekt, en nu kijft!

Gij doet mij duiz’maal s’daags hersterven en herleven.


///////////////////////////////////////////


Als hagen van cypres, van myrtus en laurier,

van vinkoord, roosmarijn en fijne eglentier.

De zoete vogelzang, die z' hoort van alle zijen,

komt daar ook heuren geest verkwikken en verblijen

als zij van tussen 't rijs of lommerachtig riet

de kleine nachtegaal hoort gorgelen zijn lied;

als zij daar de leeuwerk hoort vreugdig tierelieren

en die ziet langs de locht al tuimelende zwieren;

als zij de kwakkel hoort hoe zij gedurig kwakt

heur brekekeks koaks en naar de regen snakt;

't mussen-gezierik hees, der duiven lief roekoeken,

en 's reigers lui geschrei komende uit verre hoeken,

des koekoeks oude lui en 't spitters zoet geluid,

der sijskens knotering en 's spreeuwen wild gefluit.


XXXVIII

Soet is den westen windt, die ruysschen doet en beven

De looverkens van t'waut en t'groenssel eender pleyn:

Soet is den snellen loop van een silver fonteyn,

Die van den heuvel comt langhs een dal aenghedreven:

Soet is het luyt gheclanck, t'welck my dick troost comt gheven,

Als ick in droef ghepeys beanxst my vind' aleyn:

Soet is het heunigh oock, ghegaert by t' bieken cleyn:

Soet is den coelen Mey, die't al in vreughd' doet leven.

Soet ist roosken besproeyt met eenen morghen-dauw:

Soet ist tuylken verslunst in d'handt van mijn Jonckvrauw.

En soet is sy altijdt in alle dinck bevonden:

Soet is gansch heur ghelaet, heur oogh', heur taele vroe:

Maer weet ghy watter is soeter dan al dit soet?

Dry cuskens achter een van heuren mond ghesonden.


't En is de blondheid niet

't En is de blondheid niet van uw gestruiveld haar,

't En is uw voorhoofd niet, zo machtig opgerezen,

't En is uw winkbrauw niet, noch uwen mond geprezen

En vieriglijk aanbeên van zo menig minnaar,

t En zijn uw lipkens niet die elkeen voorwaar

Wonden als 't hen gelieft en wederom genezen,

't En zijn uw deugden niet, noch uw bevallig wezen,

Noch het toov'rig gelaat dat in u schijnt eenpaar,

't En zijn uw wangen niet, met purperrood begoten,

't En zijn de perels niet in uwen mond gesloten,

't En is uw tale niet, nochtans als honing zoet,

Maar 't geen mijn jeugd als een blad komt verdrogen

En mijn jonkjarig hart van binnen branden doet,

En is anderzins niet dan 't raaisel van uw ogen.