Test
Download document

TEN BERGE, H.C.


Tijd is

Je wilt het heden betrappen
terwijl het al niet meer bestaat.
Tijd is een passage, een gesloten
loket waar je steevast te laat -

Tijd is de vereffenaar.
Tijd heelt niets, want slaat weer
nieuwe wonden. Wat tot bloei komt
wordt door hem ontbonden.
Tijd is diep geaard, hij ruikt naar de seizoenen.
Een geur dunt uit, een maand verglijdt.
Hij nestelt zich in mest en fruit, een rozelaar, kastanjebladeren.
Tijd huist in een voorbije zomer, zeelucht en herinnerd meisjeshaar.
Hij schuilt in babyzalf, gedane liefde, een vervallen huid.

Tijd is een slak in tomeloze vaart. Voor kinderen
traag verlopend wordt zijn gang door niets gestuit
totdat je aan de zoom van bitterzoete wateren ligt opgebaard.


OCHTEND / HET GEBEUREN

Bijna winter. Spreeuw

bespiedt de lijsterbes

en steekt zich in de veren.

Berijpte snavels, dode vogels in de tuin.

Vroege vorst witselt

het veilig hout. Een koude hand

tast langs mijn huid.

As

bedekt het pad. Met zacht getik

verkilt de Norton

en wordt wit.


Eén en al landschap

Vroeg uit zijn landschap

geworpen leefde hij langzaam

maar altijd te vlug achteraf


De mythische plaats

was de brug

in het land, het licht


In de sloot waar de snoeken

toen sloegen-, de weg op een avond

met kikkers bezaaid


Een onweer hing vertraagd

boven 't woud, de klok der ursulinen

droeg over de weiden


Naar het violet van een verworden horizon;

de hitte nam niet af, hij lag

tussen hondsdraf en klaver


En kauwde op zuring

zonder te kijken maar zo

dat hij alles toch zag:


De eerste huivering

door ongeschoren velden;

lege bunkers


Waar men ijle kreten slaakte, hoge

sparren door de wind

gebogen over een half verscholen huis


Dit was de plek, daar

was de plaats waar hij las

wat hij later beleefde


Een hand op een knie

een klit in het haar

en haar fiets in het gras