Test
Download document

MOENS, Wies



Celbrieven
…..
Ik heb gereisd in nachttreinen zonder licht. Ondoorpeilbaarheid van onzekerheden lag de duisternis dik, over het land als een draaiende tafel. De gillende vaart was één onafgebroken smartscheur van kerfgeluiden dwars door het donkere hart van de nacht. (Achter ons gierden de rails: reuzeboogpezen na een meesterschot!) Mensen zaten nevens me, en rechtover me: wandelaars als ik op dezelfde planeet, van verbazing tot verbazing. Woorden vielen tussen die mensen, als ‘waar zijn we?’ - ‘het is nog ver’

- ‘o, dat schommelen’; maar ze botsten tegen de muur van duisternis die was tussen ons, en zakten verloren, verloren voor eeuwig: plompstenen in een vijver zonder grond.

Daar was een afgrond tussen mij en de man rechtover me. Een afgrond was tussen de vrouw aan mijn zij en het slapende kind aan haar borst. Afgronden overal, van mens tot mens. De eenzame, op de boord van de afgrond, schreeuwde naar de eenzame, aan de rand van de diepte. Radeloosheid en vertwijfeling galmden tegen mekaar op over alle geheimenissen der afgronden; maar heersend in deze was Zwijgen, machtig als de donder van Gods woord dat sterren beitelde als kapiteel-rozen aan de gewelven der hemelen.

Ik sidderde. Een man deed een zwaveltje ontvlammen. Een ogenblik vloekte de duidelijkheid. Mensengezichten schreeuwden mensenpijn, moeheid en verveling naar me toe.

…..