Test
Download document

VAN ASSCHE, Armand


Een dag in de lente


Nu zit de zon

als een duif op het dak

met melk in de krop

en verte onder de vleugels.


Mijn moeder blinkt

haar gezicht in een koperen kan

en draait de zonnen rond mijn hoofd.


Ik lig warm en stil in het gras

als een duivenjong in het nest.


Voor het eerst zie ik de haartjes

op mijn arm. Ik voel ze groeien.


Er springen...


Er springen vlugge katten in mijn vingers

en die willen spelen.


Er wemelen tintelingen in mijn tenen

en die willen zwemmen.


Er kruipen kriebels naar mijn wangen

en die willen lachen.


Er drijven dromen door mijn haren

en die willen reizen.


Soms vliegt er een stofje in mijn oog

en dat wil wenen.


Maar altijd zit er een vogeltje in mijn keel

en dat wil zingen.


Soms kittelt...


Soms kittelt de zon zo heftig

onder de oksels van de boom

dat alle vogels eruit opfladderen.

Maar de boom blijft

deftig als een oude heer

met hoed en wandelstok staan

terwijl het water giechelt

achter zijn rug.


Dromen


Zo glashelder kan ik dromen

dat ik wel wakker lijk.


Ik loop op de gang

met mijn slippen

grapjassend in de wind


en speel met mijn vlieger de maan,

zend haar telegrammen met wensdromen.

Over en tussen de wolken buitelt mijn vlieger

als een vurig mannetje met een solferkopje

dat de gekste krullen op het donker tekent;


tot ik moe word van het dromen en tekenen

en de maan uitgeblust,

wegkruipt onder de wol van de wolken.