Test
Download document

VAN LOENEN, René


Salomé / Dans


Mijn vader deelt mijn moeder met mijn oom.

Twee broers en één ervan is jarig. Dans!

zegt de jarige. Ik dans. Ik dans de hele feestzaal

door; steeds wilder en steeds schaamtelozer.


Als ik ben uitgedanst en op zijn schoot beland

begint oom-koning mij de sterren in te prijzen:

jij, bloedmooi meisje, vraag me wat je wilt,

mijn halve koninkrijk ligt aan je voeten.


Hij maakt je maar wat wijs, fluistert mijn moeder.

Hij is ver heen. Je moet iets vragen wat je handen

kunnen dragen. Een zedenprekershoofd is al genoeg.


Ik mag mijn moeder geven wat zij vroeg:

een hoofd dat niets meer zegt, in feestgedruis

verstomd en bloedend op een schaal gelegd.


Ik ben

Het eerste licht raakt Jacob aan.

Er is een lange weg te gaan.

Maar waar geen reisgenoot meer is

behoudt een naam betekenis:

Ik ben.


De naam die afdaalt in de nacht,

die in een droom op Jacob wacht.

Ik ben het woord dat naar u taalt,

u voorgaat en u achterhaalt.

Ik ben.


Hij is op deze plaats geweest.

De schepping ademt nog zijn geest.

Zelfs in een steen weerklinkt zijn naam,

de kracht die mensen op doet staan:

Ik ben.