Test
Download document

REVE, Gerard



Werther Nieland

…..
Toen we bij een ruime, vrij diepe kuil kwamen, verzocht ik hun er met mij in te gaan zitten. Het was koud; de wind duwde een wolkje zand in ons haar. ‘Dit is de eerste vergadering van de club,’ zei ik. ‘De voorzitter gaat een rede houden.’ Ik wachtte even. ‘Dirk jij moet iets zeggen en dan mij het woord geven,’ zei ik, want je wordt de assistent-secretaris.’ Hij zei echter niets en plukte aan de wortels van een grasplant. Er woei opnieuw een beetje zand op ons hoofd. ‘Jij kan de assistent-secretaris worden,’ vervolgde ik, ‘daar kan ik wel voor zorgen. Het blijft natuurlijk geheim, want de voorzitter doet alles wat er gedaan moet worden. Je moet nu de voorzitter het woord geven.’ Hij bleef zwijgen. Ik richtte nu mijn verzoek tot Werther. ‘Elmer ga je rede houden,’ zei deze.

Ik stond op en begon: ‘Geachte aanwezigen. De club is opgericht. Hij heet de C.V.D.G. (Club Voor De Grafkelders, W.v.W.) Er is dus een club, maar daarmee zijn we er nog lang niet. Het moet niet een club worden, waar we alleen maar lid van zijn: het moet een club op voeten zijn. Aan papieren leden hebben we niets. En aan leden die als voorzitter hun vraagt om iets te zeggen, het niet doen, daar hebben we helemaal niets aan. Die kunnen er beter uitgaan’

…..
Ik riep onze kat, een grijs met wit gevlekte, boven en koesterde haar enige tijd. Daarna haalde ik van beneden enige stukjes biscuit en zette een hoog, vierkant kistje, waarin vroeger thee had gezeten, in labiel evenwicht op de traprand neer met de opening naar mij toe. Ik voerde de kat een paar stukjes biscuit en wierp de laatste brokjes in de kist. Het dier liep deze binnen, verstoorde door haar zwaarte het evenwicht en stortte erin naar beneden. Ik volgde nauwlettend de val. Ik ging terug op de zolder om het geschrift aangaande de planten opnieuw te lezen.

…..


Een Circusjongen

…..
Wel verscheen, in plaats daarvan, een geheel ander tafereel, dat ik geenszins wenste op te roepen, en allerminst begeerde: ik zag mijn vader, zijn kop purper van inspanning, naast een omgekeerde, met stuur en zadel op de grond staande fiets, bij een van zijn ongehoorde pogingen, een geplakte of nog te plakken band te lichten dan wel weder op de velg te zetten, de binnenband in ieder geval kapot knellend door het ondoelmatig gebruik van bandelichters, geen twee of drie maar zeker wel zeven in getal, zonder daartoe nog de drie oude keukenvorken te rekenen die, kromgebogen en met hun tanden in de wielspaken geklemd, ieder ogenblik konden losspringen om zich als levensgevaarlijke ijzeren insecten brommend in de lucht te verheffen.
…..


De avonden

.....
Hij zuchtte, hing de scheerspiegel weer op aan de knop van het keukenraam en ging de huiskamer binnen. Het was bijna één uur. Hij ging op de divan zitten.

“We zijn over de helft,” dacht hij, “de middag is al een uur geleden begonnen Kostbare tijd, die niet meer te achterhalen is, heb ik vermorst.” Hij zette de radio aan, maar nog voordat de lampen warm waren geworden, weer uit, stond op, opende de schuifdeuren en betrad de achterkamer. Hij schoof de lange vitrage opzij en drukte zijn gezicht tegen de ruit. Zijn voorhoofd liet een vette plek achter op het glas. Hij duwde het er opnieuw tegen aan en keek naar beneden.

In de tuin van het rechts aangrenzende huis zat een keeshond onder een rododendron zijn behoefte te doen. Er hingen drie jassen te luchten aan een waslijn. Op het betonnen straatje van de tuin onder hem zat een witharige man houtjes te hakken. Af en toe sprong bij een slag een stuk een eind de hoogte in.

Hij beet met zijn hoektanden in een spant tussen twee ruiten, liet zijn tong over het glas gaan en liep naar de keuken. Hier nam hij een handvol kachelhoutjes uit een papieren zak in de hoek, legde ze op de keukentafel en opende geruisloos de naar binnen openslaande ramen. Even nadat de hakkende man had toegeslagen, wierp hij telkens een stukje hout ver verwijderd in de tuin, op verschillende plaatsen: op het grint, de stenen van de rotspartij of tegen de omheining; elke keer met kracht, zodat het flink geluid gaf. Bij de vierde maal stond de man na het oprapen het hout lang en aandachtig te bekijken. Frits wierp nog één keer een stuk, op het linker eind van het straatje, sloot toen het raam en zuchtte. “De lege uren,” mompelde hij, zich omdraaiend."

…..

Opeens hoorde hij ritselen van papier. Louis was gereedgekomen, draaide zijn stoel naar hem toe en zei: “Juist, meneer Egters.” “Sta me toe, naar de staat van uw gezondheid te informeren,” zei Frits. “Als anders,” antwoordde Louis, “als anders.” “Het is nu wel bewezen,” zei Frits, “dat je niet in een gezond vel steekt. Kennelijk een familie met veel bloedziekten. Beschrijf, als je wilt, nog even de symptomen.” “Hoe kan ik deze dingen zeggen?” dacht hij, “waarom zijn ze niet tegen te houden?” “Die zijn bekend,” zei Louis. “Houdt de hoofdpijn wel eens op?” vroeg Frits. “Dat niet,” zei Louis, “het spijt me, dat ik u op dat punt moet teleurstellen.” Zodra je werkt, leest of schrijft, komt het met alle kracht opzetten, niet?” vroeg Frits. “Nu ook?”

“Zeker, nu ook,” zei Louis. “Dus je gaat wel te gronde, het gaat wel gestaag bergaf?” vroeg Frits, “en geduldig wacht je je einde af?”

“Och, op den duur verveelt het wel, moet ik zeggen,” antwoordde Louis, langzaam het vel van zijn voorhoofd samentrekkend. “Als dat al jaren is doorgegaan, nooit anders, dan kom je wel” – zijn stem kreeg opeens een luchtige toon – “op de gedachte, dat het eind niet eens zo kwaad zou zijn. Op den duur, zie je, dan ga je twijfelen.”

…..