Test
Download document

PEETERS, Hagar


Zal ik nog een eindje met je meelopen?

Ja hoor. Je mag meelopen tot het stoplicht,
of tot de eerstvolgende tunnel.
Tot de derde straat rechts,
tot de ingang van het park.
Tot bij het ziekenhuis, tot voorbij
het ziekenhuis, tot aan mijn huisdeur.
.
Je mag meelopen tot in mijn kamer,
tot het glaasje van het een of ander,
tot ik mijn tanden heb gepoetst
of tot het eerste ochtendlicht
over de stoel met kleren valt.
.
Tot de bouwvakkers aan het werk gaan,
tot de school weer is begonnen,
de ambtenaren pauze houden
de winkels zijn gesloten
of tot de laatste stoptrein gaat.
.
Tot na het ontwaken maar voor het ontbijt,
tot na het ontbijt maar voor de lunch,
tot na de lunch maar voor het avondeten
mag je meelopen.


Als ooit

Als ooit jouw aanraking geen beroering
wekt dan ergernis of niets, als ooit
de dagen zich weer sluiten in de
aaneengeregen rij van opsomming
zonder apotheose als de dood
zich in ons heeft gemengd en vreugdeloos
met ons aan tafel zit waar alleen nog
de verveelde conversatie van de vorken klinkt,

als ooit jouw bloed niet meer het mijne is
of ik het drink en er meer is in de kamer
dan jouw aanwezigheid als jij er bent,
als ooit behang en kapstok met jouw jas eraan
geen verschil maken voor mijn blik,
de straat gelaten onder onze voeten ligt,

dan vraag ik je om met mij in een kleine kist
onder een boom waar wij eerder
of te verbranden en te gooien in het water
waarop wij eens, dat wij teruggaan naar de plaatsen
die zijn achtergebleven in het fotoboek en ook het fotoboek
met alles er nog in en ook ons huis, de kinderen
als we die dan hebben, de hele aarde
zullen we samen moeten begraven, als ooit


Vertweezaming

Ik wil niet op je lippen liggen,
me niet verschansen in je oorschelp
en verdwalen in het oerwoud van je haren.

Ook niet van je neusbrug skiën, koffie
onder de beschutting van je wimpers drinken
en in je blauwe ogen pootjebaden.

Zelfs niet dansen op je wangen, duiken
van je tong en op je tanden landen
of door je speeksel waden.

Maar maak je rimpels tot de paden
waarop ik, altijd samen,
naar het einde van mijn eigen leven loop.


Afspraak

Hij is niet op komen dagen.

Misschien werd hij ziek of liep hij

onder de tram, misschien sprak een ander

hem aan. Misschien vergat hij zijn horloge

of vergat het horloge hem de juiste tijd te geven.

Misschien wilde zijn auto niet starten

of begaf die het halverwege.

Misschien belde iemand hem juist voor hij vertrok,

met het bericht dat hij naar een crematie moest

of dat zijn moeder is overleden.

Misschien kwam hij een kennis van vroeger tegen.

Misschien had hij ruzie op zijn werk,

is hij ontslagen en heeft hij

zijn hoofd onder een kussen begraven.

Misschien stond de brug open, en ook de volgende.

Misschien bleef het stoplicht op rood staan.

Misschien heeft de pinautomaat zijn pasje ingeslikt

of bleek hij onderweg zijn portemonnee vergeten.

Misschien was hij zijn bril kwijt

kon hij niet stoppen met lezen

was er een programma op tv dat hij af wilde zien

kreeg hij zijn huisdeur niet op slot

kon hij nergens zijn sleutelbos vinden,

en begon plotseling zijn hond over te geven.

Misschien was er geen telefoon in de buurt,

kon hij het restaurant niet vinden

of zit hij per vergissing elders te wachten.

Misschien - de laatste onbegrepen

en onvoorziene mogelijkheid -

houdt hij niet langer van mij.


Vannacht kwam ik mijn ouders tegen

Vannacht kwam ik mijn ouders tegen,

twee bleke schimmen die naar elkaar

toe negen in het witte licht van een lantaarn.


Aan hun geluk te zien kon ik nog niet

geboren zijn. Ze waren jong en heel verliefd.

Een groot verdriet bedroefde mij

omdat ik wist hoe het zou verdergaan.


Zij schaterde om iets dat hij haar toegefluisterd had.

Hij lachte hard zoals hij nog vaak doet.

We wisselden een beleefde groet

en daarna scheidden zich weer onze wegen.


'Wacht maar', riep ik hen na,

‘wij komen elkaar nog wel eens tegen.’

Gearmd gingen ze zwijgend om een hoek.