Test
Download document

AAFJES, Bertus


De laatste dingen

Er rest mij niets meer dan mijn lied te zingen,

In eenzaamheid, gelijk een blinde vink;

Een lied over de laatste, vreemde dingen,

Waar met mijn ziel ik zingend in verzink.

Een raden soms en soms een bijna weten,

Dat uit mijn diepste wezen opwaarts welt,

Dat wij vergeten worden en vergeten

Al wat ons op de wereld vergezelt.

Sterven is zijn herinnering verliezen

En ook door anderen vergeten worden,

En eindlijk niet meer weten wat te kiezen,

En zich vervreemd voelen van tijd en orde;

Lang duurt de dood, zij duurt een leven lang,

en wat wij doen wordt onze ondergang.


In de trein

Wij rijden met de trein naar ‘t Zuiden
De peppels vallen van ons weg,
De molens en de meidoornheg,
Die langs de spoorbaan is gelegen.

En na een nacht van weinig
Snelt glanzende de eerst rij
Cypressen aan ons oog voorbij,
Gelijk een groep marathonlopers.

Wijnbergen, ceders en ravijnen,
Gedoopt in het zacht ochtendrood,
Vallen ons zo maar in de schoot
Door de geopende portieren.

De trein snijdt de meloen der wereld
Met ‘t lemmet van zijn vaart uiteen;
In ‘t blinkend vallen, een voor een
Arcadië, uw schijven open.

De wereld scheen vol lichtere geluiden

En een soldaat sliep op zijn overjas.

Hij droomde lachend dat het vrede was

Omdat er in zijn droom een klok ging luiden.



De laatste brief


Er viel een vogel die geen vogel was

Niet ver van hem tussen de warme kruiden.

En hij werd niet meer wakker want het gras

Werd rood, ee ieder weet wat dat beduidde.


Het regende en woei. Toen herbegon

Achter de grijze lijn der horizon

Het bulderen – goedmoedig – der kanonnen.


Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef,

Bevrijdde zich het laatste wat hij schreef:

Liefste, de oorlog is nog niet begonnen.



Eerste vleermuis


Ik vond hem in de ijskast van de morgen,

verdoofd en op het binnenplein verfrommeld,

de eerste domme waaghals van het jaar.

Ik nam hem mee naar mijn verwarmde kamer,

een torenkamer, maar niet van ivoor.


Daar in mijn stad van boeken en gedichten,

ontwaakte hij en keek mij aan, verbijsterd,

uit twee onschuldig fonkelende oogjes,

paniek van onschuld na een winterslaap.


Toen langzaam langzaam eerst maar steeds gewaagder

ontplooide hij het valscherm van zijn vlerken,

de vliezen, de baleinen en de nagels,

verrukkelijke nagels. Hij, de basterd

van Lucifer, de kroonprins van de hel.


En plotseling steeg hij op. Bevloog, beheerste

mijn kamer met zijn zwarte schone onschuld,

de onschuld van zijn kwaad. Ik had hem lief.



Na de zwangerschap


Ik mocht nog niet in haar komen;

zij nam de klok en de klepel

in haar mond, terwijl, zonder schromen,

ik de moedermelk dronk uit haar tepel.

Zij zoog en zij zoogde mij tevens;

hoe smaakte haar moedermelk zoet;

ik leidde in die dagen twee levens:

‘k werd door haar genaaid en gevoed.

Ik werd zo vertederd genomen

als een vrouw door een vrouw die bemint

en als ik klaar was gekomen

was ik haar man en haar kind.