Test
Download document

VAN DE KERCKHOVE, Remy C.


Brugge

Als bij valavond de bomen aan het minnewater geuren

- zo was de regen doordrenkt van Paradijzen -

dan rennen de ratten,

rennen de ratten

achter mij aan.

Een doffe plons rukt de lippen der verliefden vanéén:

de schim van Memlinc schaterlacht

want elke omhelzing is zo oud,

ouder dan het brood

der menselijke zwanen.

Guido Gezelle

staat in de nacht

alleen.

Het beeld is dood,

het beeld is koud.

Aan het Gruuthuuse

rennen de ratten, rennen de ratten

om mij

heen.

Als door de valavond de angst om mij schuift,

mij grijpt, mij kust, mij schudt,

mij fluistert dat ik sterven moet,

en dood zijn, dood zijn, dood zijn,

dan rennen de ratten, rennen de ratten

om mij heen.



Brief aan Koen

De vlaggen hingen niet halfstok toen mijn vriend stierf

Hij stierf zonder afscheid

Hij had mij nooit begroet

Hij werd geplant

Hij werd geveld

Mijn stam wordt voort ontbonden

Zeg het de armen en de honden

Hij was geen gunsteling

Hij was geen hoveling

Ik ervaarde dat zijn gelaat marmer werd

Ik ervaarde de droefheid van zijn vrouw

Ik ervaarde het spelen van zijn kinderen

Ik was zand tussen zijn vingeren

Zijn vingeren waren van moedeloos marmer

En moedeloos marmer werd zijn blik

Hij lag voor mij als een middeleeuws koning

In moedeloos marmer

Ik was twee tranen armer

Twee tranen aan moedeloos marmer

Aan de gebeden van de boeteling

Die ik steeds wik

De vlaggen hingen niet halfstok toen mijn vriend stierf

Hij alleen wist hoe graag ik gedichten had geschreven

Aan de verwelkte gevels van oude musea

Hij alleen wist hoe graag ik het elektrisch gebaar

Van Maiakovski had herhaald aan de torens der

Kathedralen

Nooit hebben de pokken hem geschonden

De paarse pest bleef hem gespaard

Zijn handen werden nooit gebonden

Hij heeft bemind gepaard

Hij lag boor mij als een middeleeuws koning

In moedeloos marmer

Ik ben twee tranen armer

Twee tranen aan moedeloos marmer

De vlaggen hingen niet halfstok toen mijn vriend stierf

We gingen door Mechelen aan de Dijle

Hij werd geplant

Hij werd geveld zeg het de armen en de honden

De honden en de armen sterven zonder testament

Zo was mijn vriend hij werd begraven in zijn hemd

Maar rijk was hij als zij

Die stierven zonder testament

Wij gingen door Mechelen aan de Dijle

De gevels speelden beiaard in het water

De herfstzon regende op de lindebomen

de lindebomen regenden op de aarde

de aarde regende op mijn vriend

op zijn moedeloos marmer

ik ben armer


Gebed van een Godsloochenaar

Ik heb nooit in U geloofd, ik kon U niet raken met mijn handen

ik kon uw voorhoofd niet kussen en ook Uw aangezicht niet slaan.

Ik zocht U in kille kerken en liep langs brede warme stranden

vol verbeten haat om ’t schone schitteren van Uw eeuwige naam.

Ik zag mannen en vrouwen U volgen als driftloze honden

en kroop U in ’t donker na om ’t strelen van Uw vergevend’ hand.

Ik huilde in de nacht en beet de ketting die me had gebonden

uit vrees voor eigen schaduw waarin mijn beestig hart was opgebrand.

Ik geloof niet dat w’uit Uw melkachtige hand werden geschapen,

ik ben een zwarte duivel die een valse vrome Vastenavond speelt.

Ik reken ons bij de planten, bij de goudvissen en bij d’apen,

en heb mijn maskeradeschoonheid tussen spot en zwakte verdeeld.

Ik heb nooit in U geloofd en kon U niet raken met mijn vuisten,

moet ik U ooit ontmoeten, ik bevecht U met menselijke waan,

met mijn stinkende adem, mijn hoogmoed, mijn lafheid en mijn puisten

tot mijn uitgerafeld hart van schrik plots tegen mijn ribben zal slaan.



Lied voor Guido Gezelle

O kantwerk van Uw verlangen

dat niet van deze wereld is:

het lichaam niet voelen hangen

aan stofdraden der duisternis.

Ge sloegt het ritme van uw bron

tot ’t ruisen van een brede stroom,

en ’t stille bloeien van uw blom

draagt biddend leven, dood en droom.

O kantwerk van Uw verlangen

dat niet van deze wereld is:

het lichaam niet voelen hangen

aan stofdraden der duisternis.