Test
Download document

VONDEL, Joost van den


Lucifer

Eerste bedrijf

Apollion
Geen schepsel heeft mijn ogen zo behaagd,
Als deze twee omlaag. Wie kon zo geestig strengelen
Het lichaam, en de ziel, en scheppen dubbele Engelen,
Uit klaiaarde, en uit been. Het lichaam, schoon van leest,
Getuigd des scheppers kunst, die blinkt in ’t aanschijn meest.”

…..

REY VAN ENGELEN.

ZANG:

Wie is het, die zoo hoogh gezeten
     Zoo diep in ’t grondelooze licht,
Van tijt noch eeuwigheit gemeeten,
     Noch ronden, zonder tegenwight,
By zich bestaet, geen steun van buiten
     Ontleent, maer op zich zelven rust,
En in zijn wezen kan besluiten
     Wat om en in hem, onbewust
Van wancken , draeit, en wort gedreven
     Om ’t een en eenigh middelpunt;
Der zonnen zon, de geest, het leven;
     De ziel van alles wat ghy kunt
Bevroên, of nimmermeer bevroeden ;
     Het hart, de bronaêr , d’ oceaan
En oirsprong van zoo veele goeden
     Als uit hem vloeien, en bestaen
By zijn genade, en alvermoogen,
     En wijsheit, die hun ’t wezen schonck
Uit niet, eer dit in top voltoogen
     Palais, der heemlen hemel, blonck;
Daer wy met vleuglen d’ oogen decken,
     Voor aller glansen Majesteit;
Terwylwe ’s hemels lofgalm wecken,
     En vallen, uit eerbiedigheit,
Uit vreeze, in zwijm op ’t aenzicht neder;
     Wie is het? Noemt, beschrijft ons hem,
Met eene Sarafijne veder.
     Of schort het aen begrijp en stem?

TEGENZANG.

Dat ’s GODT. Oneindigh eeuwigh Wezen
     Van alle ding, dat wezen heeft!
Vergeef het ons; ô noit volprezen
     Van al wat leeft, of niet en leeft,
Noit uitgesproken, noch te spreecken;
     Vergeef het ons, en schelt ons quijt,
Dat geen verbeelding, tong, noch teken
     U melden kan. Ghy waert, ghy zijt,
Ghy blijft de zelve. Alle Englekennis
     En uitspraeck, zwack en onbequaem,
Is maer ontheiliging en schennis:
     Want ieder draeght zijn’ eigen naem,
Behalve ghij. Wie kan u noemen
     By uwen Naem? Wie wort gewijt
Tot uw Orakel? Wie durf roemen?
     Ghy zijt alleen dan die ghy zijt,
U zelf bekent en niemant nader.
     U zulx te kennen, als ghy waert,
Der eeuwigheden glans en ader;
     Wien is dat licht geopenbaert?
Wien is de glansen glans verscheenen?
     Dat zien is noch een hooger heil
Dan wy van uw genade ontleenen;
     Dat overschrijt het perck en peil
Van ons vermogen. Wy verouden
     In onzen duur; ghy nimmermeer.
Uw wezen moet ons onderhouden.
     Verheft de Godheit: zingt haer eer.

TOEZANG

Heiligh, heiligh, nog eens heiligh,
     Driemael heiligh: eer zy Godt.
Buiten Godt is ’t nergens veiligh.
     Heiligh is het hoogh gebodt.
Zijn geheimenis zy bondigh.
     Men aenbidde zijn bevel.
Dat men overal verkondigh’,
     Wat de trouwe Gabriël
Ons met zijn bazuin quam leeren.
Laet ons Godt in Adam eeren.
     Al wat Godt behaeght, is wel.
…..

Tweede bedrijf.

“Gabriël
Heer Stedehouder, hoe? Waar hene leidt de reis?
Lucifer
Naar u, Herout, en tolk van ’t hemelse palais.

Gabriël
Mij dunkt, ik zoude uw wit aan ’t voorhoofd kunnen gissen.
Lucifer
Gij die den duistren grond van Gods geheimnissen,
Door ’t licht van uw vernuft ontdenkt, en openbaart,
Verlichte me met uw komst.”
…..
“Gabriël
(…)
Nu leren wij allengs Gods wijsheid tegenstappen,
Eerbiedig, en beschroomd. Zij openbaart bij trappen
Het licht der wetenschappe en kenisse, en begeert
Dat ieder, op zijn wacht, zich onder haar verneêrt.
Haar stedehouder, rust, en handhaaf d’ eerste ons wetten :
Ik ga, daar God mij zendt.
Lucifer
Men zal er scherp op letten.”
…..

Derde bedrijf.

“Belzebub
Wie reukloos begint, beroem’ zich van geen voordeel.
Luciferisten
Aan d’uitkomst hangt het al, voor d’uitkomst dwaalt het oordeel.
Dit ganse leger eist u tot een opperhoofd,
En leidsman op dien tocht.
Belzebub
(…)
Verschoon me van dien last: ik kieze gene zij.
Men legge met verdrag deze ongelijkheid bij.”
…..

V ijfde bedrijf.

“Uriël
De tanden in gebit, gewet om staal te knauwen;
De voeten en de hand in vierderhande klauwen;
Dat glinstrend parlemoer in ene zwarte huid.
De rug, vol borstlen, spreidt twee drakevleugels uit.
In ’t kort, d’Aartsengel, wien nog flus alle Englen vieren,
Verwisselt zijn gedaante, en mengelt zeven dieren”

Dat men overal verkondigh’,
     Wat de trouwe Gabriël
Ons met zijn bazuin quam leeren.
Laet ons Godt in Adam eeren.
     Al wat Godt behaeght, is wel.
…..


Adam in ballingschap
…..
Belial:

O simple duif, dees wet is strijdig

Met recht en reden. geef gehoor.

Hoe, toont de Godheid zich zo nijdig?

Ik bidde, o simple, keer uw oor

Zo schuw niet af van nutte raden,

En deze eedle feniksboom.

De wijsheid schuilt in deze bladen.

Men moet een jonge vrouw de toom

Niet korten. Laat ze welig weiden.

Haar lust en God zijn niet gescheiden.

Deze appels kennen geen venijnen.

Zij smelten lieflijk op de tong,

Verheugen 't hart, als hemelwijnen.

Zij houden 't mensdom eeuwig jong:

En 't is nu bruiloft, daar Gods reien,

Uit lust om u te prijk te zien,

In uw schoonheid zich vermeien.

Wat wellust zou men u verbiên!

Wat zou men u zo naew bestippen!

Dit ooft verlieft op uw lippen.
…..
ADAM

Nu keer ik weder naar mijn bruid, mijn halve ziel.

Waar mag zij steken? Wat bespiegeling onderhield

haar middlerwijl? Ik zie haar in schaduwen gezeten

bij die verboden boom. Wat is dit? Wie bracht haar eten?

Dit voorspelt niet veel goeds. Ik zie mij doof, en stom.

EVA

Kom hier, mijn liefste. Hoe? is nu de bruidegom

afkerig van zijn bruid? Ik wacht u met verlangen.

ADAM

Hoe staat het hier? Hoe dus? Wat lust heeft u bevangen?

Mijn lief, wie nodigde u ter feest op deze wijs?

EVA

Gods appelboom verleent mij schaduwen en spijs.

ADAM

Wat spijs? Een spijs zo hoog van Gods geboden te schuwen?

EVA

En hierom lustte 't mij daar minder van te gruwen.

't 'Verbod ontstak de lust. Mijn bruidegom, mijn troost,

aanzie die appel eens. Al zie hoe schoon hij bloost.

Indien de schil het oog uitwendig kan vermaken,

gedenk hoe liefelijk het binnenste moet smaken.

ADAM

Och smaak! Een koude koorts rijdt over al mijn leën.

Mijn haar rijst overeind. Och lief, waar moet dit heen?

Wat wordt mijn hart beklemd! Dat God die appel schende,

die boom uit de aarde rukke. 0 jammer, o ellende!

Is dit alreeds de vrucht, de vreugd van 't bruiloftsbed?

Ontheiligt ge zo snood des Allerhoogste wet?

EVA

Nu bruigom, wees gerust. Ik snap wel wat de wet zeit,

en beter dan gij meent. Wat stoort uw nauwgezetheid

zich aan een appelbeet? Da's louter bijgeloof.

ADAM

Helaas, wat hoor ik nu! Och waar ik stom, en doof,

en blind: ontbrak het mij aan ogen, en aan oren,

dan zou ik in die staat, 1t is droef, u zien noch horen.

EVA

Niet hoger, bruidegom, hier is geen kwaad begaan,

ontvang mijn eerste gave en tast die appel aan.

Geloof en volg uw bruid, en proef, en na het smaken

oordeel dan met verstand, met kennisse van zaken.

ADAM

Zou ik, u volgende, de Opperste versmaän?

De hemel hoede mij voor zulk een stout bestaan.

Men kan niet straffeloos dees hofwet overtreden.

EVA

Wat hofwet? Deze wet is strijdig met de rede.

ADAM

Gods rede overtreft al 't menselijk vernuft.

EVA

Een die rechtschapen is wordt niet zo licht verbluft

door ijdele vrees. ik proef wat kennis in dees spijs leit.

ADAM

God vrezen is 't begin van kennis en van wijsheid.

Wie hem gehoorzaamt, en zich onder zijn wet

gewillig buigt, is vrij van zulk een lastersmet.

Ik merk alreeds hoe zich d'engelen dit belgen.

EVA

k Geloof een engel schudde een appel van dees telgen.

Ik ving dit boombanket in 't vallen met mijn hand,

niet als een gruwel, maar als heilgenadepand.

Wat laat ge tranen langs uw kaken nedervloeien?

Wilt gij de lust van uw beluste bruid besnoeien,

haar nors bejegenen met ene wederzin?

Da's zeker nog te vroeg, dat brengt geen vriendschap in,

dat hebt ge ook niet beloofd, toen gij mij eerst aanschouwde,

de huwelijksgod mijn hand in d'uwe vlocht en trouwde,

en 't huwelijk zegende. Ben ik uw vlees en been,

gedraag u dan als man, en laat ons lotgemeen

tesamen leven. Ik nood u op Gods eigen gaven.

Dan zal uw kennis trots tot aan de sterren draven.

Dan wordt ge in wetenschap en wijsheid God gelijk.

Gebruik uw vrije wil, en toon mij 't eerste blijk

van liefde, in 't volgen van mijn allereerste bede.

Ge kunt niet weigeren. En volgzaamheid baart vrede.

ADAM

0 welk een strijd! Wat 's dit een gewichtig hoofdgeschil!

In wetenschap God zelf gelijken, de eigen wil

te volgen, zonder op 't ooftverbod te letten:

of onder God staan en het juk van zijne wetten

te dragen, als een slaaf, uit vreze voor de straf

EVA

Wat treuzelt ge? Gebruik wat ons de hemel gaf,

uw vrije wil, en 't goed, u heden aangeboden.

De Godheid heerst omhoog: hier heersen aardse Goden.

ADAM

0 welk een strijd! Hier staat het vrouwenbeeld; daar God.

Hier vleit me haar bede: daar dreigt me een streng verbod.

Zal ik de liefde en gunst van mijn vrouw ontberen,

of de opperste genade in ongena verkeren?

Een onweer woedt er in mijn geest, wat baart de keur

in zulk een onderscheid veel angst! Wat stel ik veur:

de vriendschap van mijn vrouw, of 's hemels gunst te derven?

Durf ik in mij het beeld, dat God gelijkt, miserven,

mijn ziel ontluisteren, om zulk een snood genot?

Nee, nee, van mijne vrouw gescheiden, rustig God,

de oorsprong van mijn heil omhelsd en aangehangen.

k heb van zijn milde hand alreeds te veel ontvangen,

en verwacht oneindig meer uit zijnen volle schoot.

Ik kies het leven voor de baarlijke dood.

Mevrouw, wat vraagt ge mij! Ik laat me niet misleiden.

'k Getroost me niet van God, maar eer van u te scheiden:

indien ik één van twee moet kiezen. Dit sta vast.

EVA

Dan breekt ge reeds de band des huwelijks, zonder last,

ja tegen 's hemels wil, en durft het huwelijk schennen,

om enen appelbeet, en geeft uw aard te kennen,

die trouweloze aard, gelijk een jonge wulp.

Nu Adam, dat gaat wèl. Ga heen: gij hoeft geen hulp

noch vrouwentroost: gij kunt genoeg met dieren leven,

en kent ze, stuk voor stuk, en kunt ze namen geven.

Gij wendt u tot geen vrouw, en acht haar uw vlees en been

niet langer: want uw hart verkeert in ijs en steen.

Welaan, ik weet genoeg, maar komt ge uw vrouw te zoeken,

en vindt ze niet; dan mag u hullen, schreien, vloeken,

maar 'k zweer het zal u niet gebeuren haar te zien,

en Eva acht u ook niet waard voortaan haar mond te biën.
…..


Gijsbrecht van Aemstel
…..

Waar werd oprechter trouw dan tussen man en vrouw

Ter wereld ooit gevonden? Twee zielen gloênde aaneengesmeed

Of vast geschakeld en verbonden in lief en leed

…..
Gijsbrecht: Zult gij dan oorzaak zijn dat beide uw kinders sneven?

Badeloch : Ik zou om een man wel bij mijn kinders geven.

Gijsbrecht : Beweegt uw kroost u niet, dit jongsken kleen en teer?

Badeloch: Niet luttel, maar mijn man beweegt me nog al meer

Veenrick: Wat schreit ge moeder lief? zijt gij bedroeft om vader?

Badeloch : Om vader schrei ik, kind, en u en ons tegader .

Gijsbrecht : Uw moeder keert zich niet aan u noch uw smart.

Badeloch : Met smarte baarde ik 't kind, en droeg het onder 't hart .

Mijn man is 't harte zelf. 'k heb zonder hem geen leven.

' k Zal u, om lief noch leed, bezwijken noch begeven

' k Beloofde u hou en trouw te blijven tot de dood.
…..