Test
Download document

DE CLERCQ, René



Niet iedereen kan heiden zijn

Niet iedereen kan heiden zijn.
Daartoe hoort kracht en moed;
een vast geloof in zon en wijn,
en blijde lust in 't bloed.


Niet iedereen voelt zijn verlangst
voldaan op aardes schoot;
schrijdt door het leven zonder angst,
en zonder klacht ten dood.


De aardeling heeft aarde schier
te moederlijk verwend.
De heiden leeft zijn leven hier
in schoonheid tot het end.


De leeuwerik zingt van 's ochtends vroeg.
De hemel, waar hij vliegt,
is hoog genoeg, is schoon genoeg.
Elk' and're hemel liegt.


Elk' and're hemel is een waan.
Alleen het luchtgewelf,
de diepten, waar de sterren staan,
bloeit heerlijk in mijzelf.



De noodhoorn
…..
Weet de Koning, onze Koning,

Dat men zijn Volk tot slaven drilt ?

Vlaandren wordt onze eigen woning

Of de leeuw springt uit zijn schild !

Heb ik geen recht, ik heb geen land;

Heb ik geen brood, ik heb geen schand;

Vlaanderen, Vlaanderen, met hand en tand

Sta ik voor u,

Vecht voor u !



Kom bij, mens

Kom bij, mens, door de mens verduwd,

Gegroet van ver en nog verder geschuwd,

Gij wroeter, donkere, niemandsvriend,

Gebeenderd machien die machienen dient,

Kom bij met uw voet die de omweg zoekt,

Uw bittere mond die om voedsel vloekt,

Uw armen die hangen, uw vuist als een knots,

Uw kracht van stier, uw geduld van rots –

Kom bij ! Geen heerlijk handgebaar,

Geen gloed in een kleur, geen klank op een snaar,

Noch lichaamslijnen, noch ogenglans,

Noch kunst, noch schoonheid leer ik u thans.

En ook geen lied !.. Ik leer u de schreeuw

Van de hongrige, dorstige razende leeuw,

Die de schrik verspreidt en de wildernis

In het oord waar de weelde der wereld is .



De schaduwen

Gij die maar duldend durft te streven,

Die strijdende niet strijdend zijt,

Gij die maar halveling kunt leven

En in uw lijdzaamheid niet lijdt.


Gij baart het goede, noch het slechte,

noch de gedachte, noch de daad;

Gij zijt de schaduw van het echte,

Die uitgewist geen sporen laat.


En gij ligt laag, ligt voor de voeten

Van al wie sterk in 't leven staan.

De schaduwen willen niet, zij moeten !

En waar wij treden, zult gij gaan !


Soms is het nacht of mist of regen,

Dan schijnt gij ver en heen te zijn;

Doch duidelijk tekent gij de wegen,

Als 't helder wordt en zonneschijn.



Daar is maar één Vlaanderen

Daar is maar één Vlaanderen

Daar is maar één land, dat mijn land kan zijn,

Daar rukt niet de Rhône, daar stroomt niet de Rijn,

Daar vloeit maar de Leie en de Schelde die brandt,

Daar is maar één Vlaandren, 't is mijn land!


Daar is maar één land, dat mijn land kan zijn,

Daar is maar één vreugd, daar is maar één pijn,

Daar is maar één liefde, daar is maar één haat,

Daar is maar één Vlaandren en 't vergaat...


Daar is maar één land, dat mijn land kan zijn,

Het groeit naar de daad, en die daad is mijn,

Het wordt in de wereld veel of niets,

Daar is maar één Vlaandren, en 't is Diets



Ik kan u niet vergeten


Ik kan u niet vergeten,

Mijn simpel landekijn,

Bij mensen die veel weten,

Veel hebben en veel zijn.


Ik heb u nooit verloren

Uit de ogen van mijn ziel,

Mijn dorpke en mijn toren

En vaders zingend wiel.

Dat zingend wiel van vader,

Het bracht, met staag geruis,

De rijke avond nader

En 't bruine brood in huis.


Draait door mijn zang bij tijden

Een harder ronken rond,

Het maakt in lust en lijden

Mijn arme trots gezond.



De bietebauw

Kleine, kleine stouterik,
zoudt ge moeder tergen?
Wacht ik zal hem roepen, ik,
uit de zwarte bergen.
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
Grijp, grap, grauw!
de bietebauw!

Hoor hem, met zijn berenkop,
op de deuren bonzen.
Krak! Hij kruipt de zolder op,
oei, oei, oei, de onze!
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!

Recht naar bedde komt hij, boe,
riekt aan de gordijne,
doe maar zere uw oogjes toe,
of ge ziet de zijne!
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!

Neen, neen, neen! Naar buiten, beest,
om de stoute knapen!
Moeders kind is braaf geweest;
kan zo schone slapen.
Douw, douw, kindje douw;
zwicht u voor de bietebauw,
douw-douw-dijn;
en zoet zijn!



Ik ben van de buiten

Ik kreeg van mijn ouders,

van ieder mijn part;

van vader mijn schouders,

van moeder mijn hart.

Ik vocht om mijn stuiten

met zuster en broer.

Ik ben van den buiten,

ik ben van den boer!


Bij d' eigenste pachter,

eerst koeier, dan knecht;

mijn klakke van achter,

mijn hoofd immer recht;

zo dien 'k om mijn duiten,

en teer op mijn toer:

Ik ben van den buiten,

ik ben van den boer!


Ik zout en ik zaaie,

ik eg en ik ploeg;

ik mest en ik maaie,

ik zweet en ik zwoeg;

ik klets op de kluiten

en glets in de moer:

Ik ben van den buiten,

ik ben van den boer!


En hebben de zeisens

gezinderezint;

de mallende meisens

de wagens gepint;

dan zit ik te fluiten

van boven op 't voer:

Ik ben van den buiten,

ik ben van den boer!



ONDER DE HELM


Heten de beulen broeders,

wordt er een zwaard betrouwd,

eer nog de tranen der moeders,

eer nog de lijken koud?

Geen vriendschap, geen vriendschap,

geen vriendschap onder de helm!

Wie met hen hand in hand kan staan

is in het hart een schelm.


Hoed u voor lange vingeren,

hoed u voor grof geschut.

Waar ze de brandel slingeren

blijve noch kerk noch hut.

Geen vriendschap, geen vriendschap,

geen vriendschap onder de helm!

Wie met hen hand in hand kan staan

is in het hart een schelm.


Komt gij ons volk beschaven,

gij, die het land verwoest?

Overal puin en graven,

overal bloed en roest.

Geen vriendschap, geen vriendschap,

geen vriendschap onder de helm!

Wie met hen hand in hand kan staan

is in het hart een schelm


Duitser, ruk met uw horden

zwijgend over de Rijn,

Broeders willen we worden

als ge weer mens zult zijn.

.