Test
Download document

REDDINGIUS, Joannes


De witte wieven

Witte wieven dansen om en om,
hoor het ritme van het wilde zwieren
en 't geprevel van hun formulieren,
rond de heksenkom.

Dwepend trilt muziek van fluit bij fluit
van de loksters in het groen verscholen,
met het wieglend klagen van violen
wordend één geluid.

Nevel-bleke grijze dampen zijn
zwevend langzaam langs de dennenstammen,
vrouwen dansen bij der flakker-vlammen
vurig-gulden schijn.

Met een welgeweten huppeltred
om en om zo zwiert de hele bende,
strak-gespannen, lenig-licht in 't wenden
naar godinnen wet.

Met een slingerende rinkeling
tinken klokjes door de wilde schokken,
magisch voort en almaar voortgetrokken
zwiert de kring.

Van de maan glijdt door de wolkendrom
zilver licht, fantastisch blijven dansen
witte wieven bij de pijnvuur-glansen,
om en om en om.


’t Oude dorp
…..
Hier speelde ik eens als kind bij kers en ridderspoor,

Bij kruizemunt en tijm, en lichte duizendschonen,

Hier leefde ik eens in een droom van Freia's ogendauw.

Wat was het muurtje mooi, wat was de hemel blauw,

Hoe mooi 't verweerde huis waarin ik stil mocht wonen,

Hoe schoon het lied in mij als àl wat ik verloor.


Regen

Regen, regen valt aldoor

Kletter, tik en tik ik hoor

Op de ruiten, buiten, buiten,

Regen zing uw zang en zing

In de vale schemering.

Tik eentonig liedje mij

Span een klein verdrietje mij

In het duister, fluister, fluister

Spin mij in uw toverkring

In de grijze schemering.

Regen, regen, maak mij stil,

Die opnieuw genieten wil

’t Lieve leven, even, even,

Zegen regen, zegen zing

Liedjes in de schemering.