Test
Download document

MUTSAERS, Charlotte



Zeepijn
…..
Als kind had ik twee beroepen: detective en dierenarts. Detective ben ik nog steeds maar dierenarts heb ik laten varen. Dat is de schuld van een oppas geweest. Die wou zich bemoeien met dingen waar ze geen verstand van had. Toen is het misgegaan.

Zodra de lente begon, vertrokken mijn ouders naar Parijs. Mijn moeder om zomertailleurtjes te kopen, Chanel n°5 en lippenstift. En mijn vader om lekker te eten en te genieten van de vele vrouwen in open bloesjes en met hangend haar. Wij kregen dan een oppas, Anna geheten. Ook Anna droeg open bloesjes en hangend haar. Maar van vogels had ze geen verstand. Ze kon nog geen kraai van een meeuw onderscheiden. Goed, dat komt meer voor. Je zou alleen zeggen: als het over vogels gaat, hou dan je mond. Dat deed ze niet. En ik was zo dom naar haar te luisteren.

Ik wist alles van vogels. In de boekjes stond dat ze alleen maar zongen uit angst of uit baltsaandrift. Dat was niet waar. De meeste vogels, zo had ik ontdekt, zongen puur voor de lol. Ik heb nog meer ontdekt: kippen komen graag bij je op schoot. In Oostende ken ik een man, hij werkt bij de kaartverkoop van het museum, wiens kippen ook altijd op schoot komen. Je moet je er natuurlijk wel voor openstellen maar dat geldt voor alles. In de zomer kwamen de duiven bij ons naar binnen en dan speelden ze boven op de speelgoedkast. En dan de pelikanen. Eén keer per jaar gingen we naar Artis en dan namen we een kilo of vijf wijting voor de pelikanen mee. «Poezenvis» heette dat in de viswinkel maar wij noemden het «pelikanenvis». Reken maar dat al die pelikanen ons na een jaar nog herkenden en meteen hun bek opensperden. Mijn fietsenmaker heeft een papegaai van zestig jaar. Die heeft de oorlog nog meegemaakt en een heel andere visie op het geheel. Hij zegt altijd… Nee, ik zeg niet wat hij zegt. Straks worden zijn woorden nog verkeerd uitgelegd en dan heb ik het gedaan.

Ik vónd ook altijd vogels. Toen ik eenmaal groot was, was dat afgelopen. Je bevindt je dan niet meer zo dicht met je neus bij de grond. Maar daarvoor vond ik er wel vijftig per jaar. Of ze vonden mij. Vooral in de lente kon ik geen voet op straat en in het park zetten of er kroop bij wijze van spreken meteen een vogel onder. Meestal een jonge duif of mus die uit het nest was gevallen — merels en spreeuwen moest je laten zitten — of ternauwernood ontkomen was aan de klauwen van een kat. Ik nam ze dan mee naar huis waar ik ze in een kooi zette en een paar dagen lang goed voedsel gaf. En ziedaar: na vijf dagen vloog het dier van dezelfde hand die hem had vertroeteld en gevoed frank en vrij het luchtruim in. Het frappante was dat ze daarbij altijd even omkeken. Alsof ze zeggen wilden: denk niet dat we voor je op de vlucht zijn gegaan. Maar toen is het een keer gebeurd dat ik een musje vond, niet groter dan een hommel. Het zat met wijdopen bekje onder de opening van een regenpijp waaruit geen druppel water kwam. Ik was op mijn autoped. Doordat het zo klein was, kon ik het met mijn hele kindervuist omsluiten. Zo, met de ene hand sturend en de andere gebald in de lucht — wat vele ongevraagde reacties opleverde — koerste ik op huis aan. Thuisgekomen dacht ik: zo'n piepklein vogeltje kun je niet overleveren aan de verschrikkelijke kaalheid van een grote kooi. Dus pakte ik een hoed van de kapstok en verdween daarmee in de tuin, waar ik hem wou vullen met takjes, veertjes, grasjes en al die kleine nietigheidjes die ik weleens in een oud vogelnest had aangetroffen.

Op zulke momenten besef je pas goed dat je geen vogel bent. Vliegen kunnen we, zingen kunnen we, maar een nest uit rotzooi vlechten kunnen we niet, laat staan met onze mond. Onze oppas, die me op de tuintafel hopeloos in de weer zag met strootjes, veertjes, rietjes en een stukje van een melkflescapsule, kwam naar buiten en zei: ‘Doe toch normaal en wees blij dat je geen vogel bent. Het gemak dient de mens. Als jij nou eens een flinke pluk watten pakt dan ben je in no time klaar.' Ik zei: ‘Dank u wel voor de tip, Anna', en vloog meteen naar de badkamer. Ik trok een flinke pluk watten uit het pak en propte die in de omgekeerde hoed. In het midden maakte ik een kuiltje zoals je ook wel in meel maakt voor het ei. Daar legde ik het vogeltje in. De watten stonden hem goed. Bij Jünger heb ik eens gelezen over een hommel in een berenjas. Mijn musje leek op een hommel in een ijsbeerjas. Ik voerde hem kleine stukjes worm en geweekt brood, ik gaf hem te drinken en ik krauwde zijn kopje. Ik noemde hem Olaf. Naar een vriendje dat ik door een verhuizing verloren had. 's Avonds zette ik de hoed met Olaf op een stoel naast mijn bed. En pas toen hij zijn kraalogen volledig had gesloten deed ik het nachtlampje uit. Sinds de dood van onze hond was het de eerste keer dat ik insliep naast iemand anders en het was intiem. Van de opwinding werd ik twee uur later — ik droeg een lichtgevend horloge — alweer wakker. Of had ik iets voorvoeld? Ik knipte het licht aan om mijn nieuwe makker te begroeten. Hij was weg! Ik pakte de hoed en zette hem op de dekens met de allure van een goochelaar. Voorzichtig prikte ik met mijn wijsvinger in de watten. Geen spoor. Ik begon te tjilpen. Geen enkele reactie. Ik begon te huilen. De watten werden nat. Ik riep ‘Olaf! Olafje toch!' Het bleef stil. Toen ik tenslotte de bovenste laag van het ijsbeerjasje optilde, zag ik iets schemeren: een open nekje met een minuscule ruggengraat. Mijn vriendje was dood. Hij moest in de wattenmassa zijn vastgeraakt en bij het losworstelen zijn nek hebben gebroken.

…..