Test
Download document

DE LAET, Jan


Onze Oud’ren waren groot!

Onze Oud’ren waren groot ! En wij?

Wat zijn wij heden?

Een moed’loos volk, dat steeds door

vreemde voet vertreden

Zijn leeuwenhals gedwee en sidderend nederbukt …


Zwarte Leeuw

Ziet gij de zwarte leeuw niet rijzen,
Zo fier op ’t trotse gouden veld?
Ziet gij zijn forse reuzenklauwen,
Waarvan één slag de vijand velt;
Ziet gij zijn bloedige ogen gloeien,
Beschouwt zijn maan zo breed verward? –
Die leeuw is onze Leeuw van Vlaandren
Die rustend nog de wereld tart!

Hij sloeg zijn klauwen op het Oosten
En ’t Oosterheir vlood siddrend heen,
Zijn blik vernielde d’halve manen
Van d’ongetemde Saraceen.
Dan toog hij weder naar het Westen
En schonk, hun dapperheid loon,
Aan d’onversaagdste zijner zonen
Een konings- of een keizerstroon.

Hij sluimert nu. – Der Walen koning
Beknel’ hem vrij in ijzren band,
Hij sture vrij zijn roversbenden
Tot op der leeuwen Vaderland…
Want zo de leeuw ontwaakt, – gij roovren!
Wordt ge allen door zijn klauw verscheurd,
Dan wordt uw trotse witte lelie
Door hem met bloed en slijk besmeurd.