Test
Download document
















VAN DE WOESTIJNE, Karel *****


Over de zee …


Over de zee hangt matelijk te tampen

een zoele en droeve klokke door de mist.

De dag is zonder klaarte en zonder lampe.

En wie zijn hart bezit, weet wat hij mist.

Een stemme roept, en ieder loopt verloren.

Ik loop alleen. En 'k weet dat duizend zijn

die naast me dragen door te dichte smoren

'lijk al te volle teilen melk hun pijn.

Ga niet terug: gij zult de weg niet vinden.

Gisteren, morgen, en eenzelfde klacht....

- De mist-klok zingt onzichtbaar-manend in de

dag-witte nacht.


Ik ben de hazelnoot

Ik ben de hazelnoot. Een bleke, weke made

bewoont mijn kamer, en die blind is, en die knaagt.

Ik ben die van mijn zaad een duisternis verzade.

En ‘k word een leégt’, die klaagt noch vraagt.


‘k Verlaat mezelf; ‘k lijd aan mezelve ijle schade.

Ik ben ‘t aanhoudend maal, in een gesloten kring,

van een domme, duldeloze, ondankb’re made.

Maar raak’ de vinger van een kind me, dat me rade:

hij hoort mijn holte; ik luid; ik zing.



Geur van het reeuwse beest

Geur van het reeuwse beest; geur van de beurse vrucht;
geur van de zee; geur van een aarde zonder lucht;
– ik ben de late; ik ben de slechte; ik ben de dwaze;
ik ben de zieke hoop waarop geen hoop zal azen.

Ik ben de laatste peer in de ijlte van de boom.
Ik ben alléen ter kille herfst, en ik ben lóom.
Ik ben geboden nood; ik ben vergeten have;
ik ben de zwaarste en rijpste en zal geen kele laven.


Koortsdeun

‘t Is triestig dat het regent in de herfst,
dat het moe regent in de herfst, daarbuiten,
- En wat de bloemen wegen in de herfst;
- en de oude regen lekend langs de ruiten...

Zwaai-stil staan grauwe bomen in het grijs,
de goede sider-boomen, ritsel-wenend;
- en ‘t is de wind, en ‘t is een lamme wijs
van kreun-gezang in snakke tonen stenend...

- Nu moet me komen de oude drenteltred,
nu moet me ‘t oude vreê-beeldje gaan komen,
mijn grijs goed troost-moedertje om ‘t diepe bed
waar zich de warme koorts een licht dierf dromen,
en ‘t wegend wee in lede tranen berst...

...'t Is triestig dat mijn droefheid thans moest komen,
en lomen in ‘t atone van de bomen;
- ‘t Is triestig dat het regent in de herfst...


Voorzang

Het huis mijns vaders waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren.
- Ik was een kind, en mat het leven aan de lach
van mijn moeder, die niet blij was, en aan 't waren
der schemeringen om de bomen, en der jaren
om 't vredig leven van de roereloze dag.

En 'k was gelukkig in de schaduw van dit leven
dat naast mijn dromen als een goede vader ging...
- De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven
te weten, hoe een vlucht van grote voglen hing,
iedere avond, in de teedre zomer-luchten
die zeegnend om de ziel der needre mensen gaan,
als de avond daalt, en maalt in avond-kleur de vruchten
die rustig-zwaar in 't loof der stille bomen staan.

Toen kwaamt gij zacht in mij te leven, en we waren
als schaamle bloemen in de avond, o mijn kind.
En 'k minde u. - En zo 'k vele vrouwen heb bemind
sindsdien, met moede geest of smekende gebaren:
u minde ik; want ik zag uw kinderogen klaren
om schuine bloemen in de tuine', en uw aanschijn
om mijn eenzelvig doen en denken troostend zijn,
in 't huis mijns vaders, waar de dagen trage waren.


Wijding aan mijn vader

O Gij, die kommrend sterven moest, en Vàder waart,

en mij liet leven, en me téder léérde leven

met uw zacht spreken, en uw strelend hande-beven,

en, toen ge stierft, wat late zon op uw baard;

– ik, die thans ben als een die in de avond vaart,

en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven

door zoele zomerwinden in de lage reven,

en die soms avond-zoete waterbloemen gaêrt,


en zingt soms, onverschillig, en zijn zangen glijden

wijd-suizend over 't matte water, en de weiden

zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied


Zó vaart mijn leve' in vrede en waan van dóod begeren,

tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,

neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.



De rozen domen en dauwen

De rozen domen en dauwen

ten avond, vredig-vroom;

er waart een paarser schaâuwe

om de kastanjeboom.


De vijver blankt in dampen;

de troostlijke nacht begint.

- Ontsteek, ontsteek de lampe:

mijn angst ontwaakt, o kind.


Weer gaat het vege licht der asters bloeien

Weer gaat het vege licht der asters bloeien;

weer naêrt een herfst. - En dit doorhunkerd hart

waar smokend 's zomers toortse gaat vergloeien,

wordt huiverend, en mart . . .


- Ik, in wiens hand de zoele vruchten wogen

maar wie de zoen ontzegd werd van de beet;

die, naar 'k u weet, o herfstig mededogen,

me des te alléner weet;


eeuwige maaier, ik, die sneed het koren

maar nimmer voor zichzelf de garve bond;

eindloze vaarder in zijn vochte voren

die nooit de haven vond:


weer naart een herfst; en weer naart wrang het derven

dit hart dat, hooploos, steeds verlangen kent;

dat, immer hunkrend naar dit herfstlijk sterven,

na 't wintren weet een lent' . . .


- Weer brandt mijn najaars-bloed in smeek-gebaren;

weer weent het hart waar de oude wonde schroeit . . .

- Hoe bronst het goud in de kastanjelaren!

De zilvren aster bloeit . . .


Ik ben met u alleen, o Venus, felle star.

Ik ben met u alleen, o Venus, felle star.
En, waar 'k vergeefs in mij uw stralend gloeien zoeke,
blijft leeg mijn marrend harte, en bar.

Mijn harde mond is strak aan beide starre hoeke.
Geen vraag. En zelfs wat 't eerst me naêrt en 't laatste scheidt :
zelfs ángst en komt mijn ijlt' bezoeken.

Ik ben met u alleen, mijn ogen droog en wijd;
terwijl de wijde nacht welft mijn verlaten kilte
naar uwe gloeiende eenzaamheid.

- De venstren blind, de kaamren naakt en ijl de dilte;
het huis eens beedlaars, onbetreên en haveloos :
aldus mijn ziel in 't land der Stilte ;

alwaar ge, alleen ten hemel-tuine een helle roos,
een vurig-felle roos in Stilte's donkren lande,
staag-nodend waakt en blaakt, altoos;

en ik, met de armoe van mijn hoofd en van mijn handen,
in de armoe van mijn hart ontbere, leeg en bar,
zelfs de arme vreugd van eenzaam branden...



Zingen, hoe de donkre wereld

Zingen, hoe de donkre wereld

zijne ronde reize gaat;

zingen ‘lijk de merel merelt

‘lijk de nachtegaal, die slaat;


zingen; blind, ‘lijk vóor alle eeuwen

’t laaien van ’t onnozel licht;

zinge’ als zon en maan, flambeeuwen

aan het duisterst aangezicht;


zingen: vreugde en smart, gesmeten

al wat gloeit en al wat rijt,

aan de gapend-geer’ge bete

van de hongerende Tijd…



Vlaanderen o welig huis

Vlaandren, o welig huis waar we zijn als genoden

aan rijke taflen! - daar nu glooiend zijn de weien

van zomergranen, die hunne aêmende ebbe breien

naar malvend Ooste' en statig dageraderoden,

dewijl de morge' ontwaakt ten hemel en ter Leie -:

wie kan u weten, en in 't harte niet verblijen;

niet danke' om dagen, schoon als jonge zegegoden,

gelijk een beedlaar dankt om warme tarwebroden?...


o Vlaandren, blijde van uw gevensrede handen,

zwaar, daar ge delend gaat, in paarse en gele wade,

der krachten die uw schoot als rodend ooft beladen,

- Vlaandren, wie wéet u en de zomerdageraden,

en voelt geen rilde liefde in zijne leden branden

'lijk deze morgen door de veie Leielanden


Venus en Adonis ( Tussenzang)

Adonis

Deze avond is gelijk een stil-verlicht paleis,

o wondre vrouw, in 't trage schaaûwe-gaan der bomen....

- Ik ben beklemd in vréemde slaap; hoor gaan en komen

uw stem, o vrouw, gelijk een sussend-zoete wijs

die ik eens hoorde in vader's tuinen, grijs van peis....

Venus

Adonis, uw effen haren zijn als zacht-neigende bronnen....

Ik weet niet hoe mijn mond uw teêr lijf strelen moet....

De avond is wíjd.... Ontwaak, en toon de doffe gloed

van uw jonge ogen, goude' als mat-gedoofde zonnen. -

Ik weet niet hoe mijn hand uw leden strelen zal,

Adonis....

Adonis

- - Een ver, stil lied, in 't vaderlijke vrede-dal;

het wast, en sterft, in smachtend-stille en hell're klanken....

- Vrouw, ge zijt vreemd; ik vind u vréemd. Als roze-ranken

om jonge bomen, zijn uw woorden om mijn hoofd

met kleine blijde wonden... Was het waar? 'k Geloofd'

in vreemde slaap dat mijne moeder zacht me streelde....

Ik slaap vréemd...

Venus

- De avond is gróot van ongeweten liefde-weelde,

nú dat mijn lijf dit jonge lijf beminnen gaat. -

Adonis, als een rechte bloem is uw gelaat,

en stille vruchten voor mijn mond zijn uwe leden....

Ik wou de nieuwe blijheid uwer liefde lijden,

o lieve Adonis, die uwe ogen open laat

als schemeringen naar een liefde-dageraad;

o mijn Adonis, die ik moet... die 'k wóu beminnen,

o Adonis....

Adonis

- Ik weet niet, hoe uw woord in mij doet angst beginnen,

vrouw, daar 'k u niet versta.... Deze avond is

gelijk een stervens-huis, hoog-stil in treurenis....

Zó wist ik huizen, en de vrouwen hadden tranen

in zwijgend oog, - en ik was vréemd als thans. - -

Venus

o Wanen,

Adonis, wanen dat we zijn in eeuwigheid

de énige liefde, 'lijk gij de éen'ge lieveling zijt,

en dat we heel de Tijd in onze min doorbranden.

- Adonis, vlei mijn slapen, vlei mijn handen;

Adonis, raak mij aan; ik word gelijk een groot vuur....

Adonis

Vrouw, vrouw, gij maakt mij báng....

Venus

- Het schravend uur

is loom van al het bloed dat liefde-mensen droegen

in zware slagen die door hunne borsten ploegen

als grote mokers.... - o Adonis, voelt ge niet

hoe 'k, zónder uwe min, bezwijk; hoe 't leven vliedt

van haar die mens werd om te minnen als de goden?...

Adonis....

Adonis

Vrouw, ik ben zeer bang....

Venus

Zie hoe mijn lijf u wacht en trilt op koele zoden;

- en deze nacht zal zijn als de' eérste liefdenacht.

- Kom, mijn Adonis, wíjd is de avond, en de pracht

van ál de zomerdagen rust in deze schonken.

Gij zult gelúkkig zijn, Adonis, stil gezonken

in deze schoot, Adonis, die uw min verbeidt

en lijdt van sneller drift en noest-brandend verbeiden....

- Adonis, leg uw handen op mijn hete zijden

en voel hoe ik u hebben móet....

Adonis

o Vrouw, ik ben zo báng...

Venus

Zie, ik gevoel hoe ik moet sterve' in mense-dood

als gij niet zijt van mij, Adonis, o mijn lijden....

o Kom, ik moet u hebben, 'k móet u....

Adonis

Vrouw, vrouw, zijt gij de Dood?



Gij zult mij allen, allen kennen

Gij zult mij allen, allen kennen,
maar 'k zal voor allen duister zijn;
want slechts wie 'k van mijn spot zal schennen
zal lichtend van mijn luister zijn.

Slechts wie na de eêlste weelde-spijzen
zal hongren naar mijn schampre smaad,
draagt eens vóor 't aangezicht der wijzen
de plooi der wijsheid in 't gelaat.

Maar hem, die mij niet heeft bekeken,
doch voor mijn hoogmoed heeft gebeên,
die zullen eens de voeten leken
van mijn geween.