Test
Download document

FEITH, Rhijnvis


Herfstbespiegeling

De herfstwind huilt door 't woud, en predikt mij de dood.

Ontvang, verlaten veld! Mij in uw stille schoot,

Totdat ik, moe van de aarde en al haar schijnvermaken,

In 't koele en vreedzaam graf de ware rust zal smaken.

Waar zijt gij, lieve Bruid van 't prille Jaargetij?

Waar zingt uw nachtegaal zijn teedre melodij?

Waar zijt gij, Zomer! Die nog korts mijn boezem streelde,

Waar zwelt uw vrucht, waar spelt uw koele schaduw weelde?

Ach! 't ledig veld, waarlangs mijn stem droefgeestig zweeft,

De hoge lucht, die haar van verre wedergeeft,
…..


Het graf

Tweede zang
…..

Het vliegend wolkgespan verdeelt zich aan het zwerk.

Ik zie de bleke maan door gindse kale berk.

Hoe waatrig drijft ze voort, omringd van rode kringen!

Ginds doet ze langs de grond ontelbre lichtjes springen,

Die, beurtlings door 't geboomt' verenigd en verdeeld,

Naar dat de windvlaag door de krakende Eiken speelt,

Nu met de schaduwen der zwarte bladen hupplen,

Dan in de zilvren dauw van tak en heester drupplen.

Een enkle star breekt door aan 's hemels woeste trans,

Nu scheemrend door een wolk, en dan in vollen glans.

O Lucia! uw graf vertoont zich aan mijn ogen,

Half door de maan verlicht, en half met nacht omtogen;
…..

Vierde zang
…..
Ja, stille Graven! ja, gij blijft mij wijsheid leren.

Hier kan ik 't best met God en met mijzelf verkeren,

Hier, waar de vrede woont, de zorg het hart niet knaagt,

De beek welluidend ruist, de tortel troostrijk klaagt,

De zoô, die de armoe dekt, en 't marmren ereteken,

De duurzaamheid en prijs van aardse grootheid preken.

't Gewormte kent geen schoon, geen glans, geen majesteit;

Het aast op vorst en slaaf met de eigen gretigheid;

't Verteert gevoelloos, stil, met de eigen scherpe tanden,

De zachte maagdenborst en 't hart van dwingelanden.

De Dood verzorgt zijn dis en zamelt prooi in 't graf.

De rauwe moederkreet dwingt hem geen Zuigling af;

Hij scheurt de Jongling van het gillend maagdenharte,

Bespot de vriendschap, en beschimpt de huwlijkssmarte.

Zijn adem blaast - rang, macht, goud, titel, aanzien, zwicht;

De mens wordt wat hij was bij 't eerste levenslicht.

Zijn adem blaast opnieuw - de schoonheid is verdwenen,

Een nare afschuuwlijkheid zweeft om de schoonsten henen.

…..


Gedachten bij een bouwval

Mijn God! wat is de Mens,

Ook bij zijn’ stoutste wens!

Een veldbloem, die verkwijnt,

Een schaduw, die verdwijnt,

Een droom, die vleiend vliet,

In al zijn glans een Niet!

Hoe trots rees deze puin

Eens boven woud en duin,

En was een praalgesticht,

Betoovrend voor ’t gezicht!

De Tijd slonk keer op keer

Bij de achtbre zuilen neer,

En vloekte daar, vermand,

De stompheid van zijn‘ tand.

Het scheen door zijn gevaart’

Voor de eeuwigheid bewaard,

En boorde, op ’t uitzicht stout,

Zijn torens door het woud.

Van daar zag ‘t wijd en zijd

Al wat het oog verblijdt,

Al wat de zinnen streelt,

Al wat het harte steelt,

Een zalige natuur,

Een Eden op den duur!

En nu, van al die pracht,

Wat ziet het Nageslacht?

Het staart de puinhoop aan,

En wentlende eeuwen gaan,

Met al haar praal en pracht,

Haar taal, haar geest, haar macht,

Haar kunst en heerschappij

Als rook mijn oog voorbij.

Een uitgeknaagde romp,

Een ongevormde klomp

Van halfverteerd puin,

En brokken van arduin

En zerk en marmersteen,

Gedaantloos ondereen,

En waar het oog zich boeit,

Met aaklig mos begroeid,

Is al de heerlijkheid,

Die ’t somber hart nog vleit.

Waar menig lieve Maagd

Zich eertijds heeft behaagd,

Als zij door ’t ver verschiet

Hare oogjes weiden liet,

Of door het heldre glas

De teedre woordjes las,

Die de aangekomen Mei,

Bij Sefiers zacht gevlei,

In ’t groenend blaadje dreef,

Of op een roosje schreef:

En waar ze schouwde in ’t rond,

Alom een Tempe vond;

Scheurt nu een enkle vos

Het dichte spinrag los,

En kijkt door gras, dat fluit,

’t Bemoste venster uit,

Maar schouwt aan alle zij’

Een barre woestenij.

Waar schuilt de frisse Jeugd,

Die eens haar zoetste vreugd

In deze dreven vond?

Waar lacht de lieve mond,

Die hier de Lente riep,

En bloempjes om zich schiep?

Hoe sloop dan vaak de Min

Hier ’t veilig Bosje in,

En bracht‚ er, ongestoord,

Haar warme zuchtjes voort,

Of juichte ‘er bij een’ vliet,

En hemelde in ’t verschiet!

En nu – natuur is stom.

Verwoesting heerst alom.

He hangend venster krijt

Als ’t heen en weder glijdt,

En klapt en knarst en raast

Wanneer de Herfstwind blaast,

In oude schoorsteens schuilt,

En buldrend tiert en huilt,

Of door én muur geboeid,

Uit duizend spleten loeit.

De stroeve weerhaan snort

Van torens, half gestort,

Terwijl de knappende Uil

Met akelig gehuil

Dit doods muziek verzelt,

En door het ledig veld,

Als de avond zich verspreidt,

Uit puin en holen schreit;

Door de echo van rondsom

Met statig lang gebrom

Herhaald, en dan verflauwd

Nog eenmaal nagebauwd;

Terwijl op ’t laatst ’t geluid

Van ’t ver gebergte stuit,

En hol als uit de grond,

Dof mompelt in het rond.

Mijn God! wat is de Mens,

Ook bij zijn’ stoutste wens!

Een veldbloem, die verkwijnt,

Een schaduw die verdwijnt,

Een droom, die vleiend vliet,

In al zijn glans een Niet!


Het leven

Ach! hoe snelt ons leven,

Als een stroom gedreven,

Die van rotsen schiet!

Blijde en droeve jaren

Vluchten met de baren,

En zij keren niet!

Kindsheid ijlt als 't krieken,

Jonglingschap heeft wieken,

Kommer zweept de man,

Grijsheid maant tot scheiden -

Zweeft er tussen beiden

Wel een enkele span?

Onder min en kozen

Welken aardse rozen,

Worden Tempe's duin;

Onder spel en dansen

Vlecht de grijsheid kransen

Om de kale kruin.

't Glinsterend smalt der weide

Wordt een vale heide

Voor de ouderdom;

't Koor der Filomelen,

Hoe ze om bloeitijd kwelen,

Blijft voor 't harte stom.

't Mondje, toverend blode

Dat tot kusjes node,

Wekt geen wensje meer.

't Oog, dat lustjes teelde,

Vochtig eens van weelde,

Zinkt verlaten neer.

Of de beekjes stollen,

Of haar golfjes rollen,

Winter sneeuwt in 't hart.

Bij de druk der jaren

Rekken al de snaren

Van de vreugde en smart.

Alles, wat wij minden,

Werd een spel der winden,

Of omsluit een graf.

Stomp en afgesleten,

Eenzaam en vergeten,

Zinkt ons de eeuwgeest af.

Wie zou 't leven dragen

Met zijn heil en plagen,

Met zijn lang verdriet,

Zwol, na zoveel kommer,

In een dal vol lommer

't Zachtste rustbed niet?

Alles is verschijning,

Alles is verdwijning,

Op de levensstroom.

Niets kan 't rustpunt raken -

Sterven is ontwaken

Uit een bange droom.


Nieuwjaars-Lied

Op de wijze: “God zal mij zijn aanzicht tonen” uit Schutte

Uren, dagen, maanden, jaren,

Vliegen als een schaduw heen.

Ach! wij vinden, waar wij staren,

Niets bestendigs hier beneên!

Op de weg, die wij betreden,

Staat geen voetstap, die beklijft:

Al het heden wordt voorleden,

Schoon 't ons toegerekend blijft!

Voorgeslachten kwijnden henen,

En wij bloeien op hun graf;

Ras zal 't nakroost ons bewenen.

't Mensdom valt als blaadren af.

't Stof, door eeuwen zaamgelezen,

Houdt het zelfde graf bewaard.

Buiten U, o eeuwig Wezen!

Ach! wat was de mens op aard'!

Maar door U aan 't niet onttogen,

Liet uw gunst hem niet alleen.

Godlijk Licht omscheen zijn ogen,

En zijn nietigheid verdween.

Onder uw genadeleiding

Wordt hem deze levensbaan

Slechts ontwikkeling, voorbereiding

Tot een eindeloos bestaan.

Dat de tijd hier 't al verover',

Aan geen tijdperk hangt mijn lot.

Gij, Gij blijft mij altijd over,

Gij blijft eindeloos mijn God.

Wel een ramp mij hier ook nader,

'k Vind in U mijn rustpunt weer.

Gij blijft in uw' Zoon mijn Vader,

Wat verander', wat verkeer'.

Vader, onder al mijn noden,

Vader, onder heil en straf,

Vader, ook in 't rijk der doden,

Vader, ook in 't zwijgend graf.

Waar ik ooit verandring schouwe,

Gij, o God, houdt eeuwig stand.

Ook op mijn stof rust op uw trouwe,

Sluimert in uw vaderhand!

Snelt dan, jaren, snelt vrij henen

Met uw blijdschap en verdriet.

Welk een ramp ik moog bewenen,

God, mijn God, verandert niet.

Blijft mij alles hier begeven;

Voortgeleid door zijn hand,

Schouw ik uit dit nietig leven

In mijn eeuwig Vaderland


Aan Cefise

De Roos, die op uw koontjes gloort,

Cefise! zal niet eeuwig bloeien -

Het purper, dat uw lipjes boort,

Niet altijd op die lipjes gloeien.

De Schoonheid is een bloem, die sterft,

Als tijd of smart haar blaadjes krullen -

Cefise! als gij uw schoonheid derft,

Wat zal uw ledig hart vervullen? -

De stoet, die nu uw oog verheugt,

Zal ongemerkt geheel verdwijnen,

Als de ouderdom het vuur der jeugd

Gevoelloos in dat oog doet kwijnen.

Cefise! welk een treurig lot

Hebt ge eer nog in de Echt te vrezen! -

De Schoonste, na een kort genot,

Houdt op voor ons meer schoon te wezen.

Ach! wat haar luister moog bestaan,

Nooit heft ze ons hart tot hoger orden -

Cefise! schouw dit doodshoofd aan!

Cefise! - dit zult gij eens worden!

o! Zo uw hart de Deugd verkoos! -

Wat zou Cefise in waarde winnen!

Het zichtbaar schoon boeit voor een poos,

Een schone ziel doet eeuwig minnen. -

Waan niet, dat ik uw schoon veracht',

Neen! 't vuur van twee aanminnige ogen

Heeft mij, door zoete toverkracht,

Te vaak der Wijsbegeerte onttogen.

Mijn feil was nooit gevoelloosheid -

'k Erken de macht der zachtste klipjes -

En, waar de Deugd ook stralen spreidt,

Haar Glorietroon zijn maagdenlipjes!

Dan, zonder Deugd, wat is de prijs

Der Schoonheid? - Kan ze uw hart vermaken?

De Dood, Cefise! is koud als ijs,

Ook bij den gloed van maagdenkaken.

De Wind, die 't Veldviooltje streelt,

Rukt vaak de Puikroos van haar' stengel. -

Het Schoon alleen volmaakt het Beeld;

De Deugd en Schoonheid maakt de Engel.

Hoe tuk, Cefise! op vleierij -

Eens wordt door u mijn raad geprezen;

Ach! zo het hier op aard' niet zij -

't Zal voor de Troon uws Rechters wezen