Test
Download document

HOEKSTRA, Han


DE CEDER

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.
Een binnenplaats, meesmuilt ge, sintels, schillen,
en schimmel die een blinde muur aanrandt,
er is geen boom, alleen een grauwe wand.
Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen,
ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille
stam in het herfstlicht staat, onaangerand,
niet te benaderen voor noodlots grillen,
geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.


Op een avond

Gij zijt er op een avond, want een vrouw

liet u ontglippen aan haar moede schoot,

die onder pijnen opende en sloot

bitter of blij over wat komen zou.

Gij zijt er, en der avonden getal

vermeerdert, en ge leeft tussen wat leeft,

bij mens en dier, bij al wat adem heeft

bitter of blij over wat komen zal.

Gij zijt er, en het leven leert zijn leer,

ge stoot er overal op goed en slecht,

op dingen waar men tot het eind voor vecht

En op een avond zijt gij er niet meer.


Waar ging het kind heen in matrozenpak?


Waar ging het kind heen in matrozenpak?
Naar Scheveningen. IJs en bootje varen.

Met wie? Een man die ongehoord op zijn gemak

bier dronk en tegensprak en nooit kon sparen

Een vrouw, zijn rusteloze tegenpool

die al die schuwe dwarsheid bleef beminnen.

Zij kijkt hem na. Hij brengt het kind naar school.

Zonder elkaar konden zij niets beginnen,

Dat kind was ik. De onbeholpen man

met wie ik wandelende vriendschap sloot,

op wie ik lijk zoveel men lijken kan,

ligt in zijn graf. Hij is al jaren dood.