Test
Download document

KOMRIJ, Gerrit


Het Komrij-wezen

Er is een fabeldier dat 'Komrij' heet,
Een wonderlijke naam voor zoiets aardigs.
De kop ervan is weliswaar vrij breed,
Maar verder heeft het niet veel eigenaardigs.

Hij is een beetje sullig, een soort flop.
Zijn handen lijken erg op kolenschoppen,
Ook zit de kop gewoon er bovenop.
Hij zal zich nooit eens tot iets moois ontpoppen.

Hij is een hond, meer niet. Zijn hele leven
Zal hij een wezen zijn 'dat steeds begrijpt'.
Alleen diep in de nacht jankt hij soms even,
Daar een geheime pijn zijn strot toeknijpt.


De zwijgzaamheid

Eer maakt men lakens wit met inkt,

Eer speelt men schaak met bezemstelen,

Eer vindt men nog een roos die stinkt,

Eer ruilt men stenen voor juwelen,

Eer breekt men ijzer met zijn handen,

Eer zal men stijgen in valleien,

Eer legt men een garnaal aan banden,

Eer leert men geiten kousen breien,

Eer plant men bomen op de weg,

Eer zal men kakken in zijn hoed,

Dan dat ik u mijn ziel blootleg

En zeg wat ik thans lijden moet.


Dodenpark

We wandelden des avonds door de tuinen

Van het crematorium; achter heg en hazelaar

Stond laag de vroege maan; ik at wat kruimels

Van mijn vest en jij genoot van een sigaar.

Je dacht wellicht aan zeer bezwete negers

Op hete plantages in de weer. Ook aan

Je gezicht meende ik zoiets af te lezen.

Ikzelf keek door de heg naar de maan.

We spraken niet. Wat viel er ook te zeggen?

We dachten maar aan een maan en aan zweet.

O, nergens heerste er ooit zo’n rust. Slechts

Af en toe klonk uit een urn een kreet.


Liefde

Ze liggen op elkaar, schurft op eczeem.
Je hoort de schilfers knappen. Roos stuift op.
Hun schedels glimmen als een diadeem.
Ze liefkoost teder zijn gezwollen krop.

Zijn pink verdwijnt in een abces van bloed.
Ze kronkelt. Uit haar mond springt slijm. Een blaas
Ontploft. Zijn krop wordt blauwer. Hij vat moed.
Hij rolt haar op haar rug. Hij is de baas.

Dan gaan zijn sleetse lendenen tekeer.
Het is een machtig knarsen. Het gesop
Van kwijl in etter kent geen einde meer
Zij kotst. Gods wonder in een notedop.


Je kon je redden

Je kon je redden langs een trap van vuur,

Langs bloedgevlekte hellehonden heen.

De wereld was nog maar van korte duur.

Je rende over lauwwarm kiezelsteen

De stad uit, de verzengde, dode stad.

Het gras was dor. Er hingen touwen tussen

De bomen zonder blad. En niemand zat

In een der uitgebrande autobussen.

O vroeger, toen er ook nooit iemand was!

Alleen jij en het boek waarin je las.

Wel kwam zo nu en dan je moeder binnen

Met op haar arm een grote stapel linnen

Of met vrieskoude ranja in een glas.

O nooit zal dat, o nooit, opnieuw beginnen.


Alles blijft

Daar stond een muur die ik heb aangeraakt.
De muur werd afgebroken. Van het puin
werd verderop een fundament gemaakt.
Ik plantte een fruitboom in mijn oude tuin.

Die werd geasfalteerd. Vijf meter diep
Houdt zich een wortelstronk nog grommend koest.
Vijf eeuwen lang desnoods. De Spaanse griep
Landt ooit op Mars omdat ik heb gehoest.

Er was een vriend aan wie ik heb geschreven,
Een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd.
Je bent een deel van alles bij je leven
En alles blijft bestaan wanneer je sterft.


De dichter

Toen het letterkundig tijdschrift

Hem een briefje toe deed komen,

Waarin stond: ‘Mijnheer, uw verzen

Waren lang niet slecht, we zullen

Er eerdaags een paar van plaatsen,’

Zwol zijn borst tot slagschiphoogte.

Heel zijn leven werd nu anders.

Hij ging doen alsof hij grote

Mensen hoogstpersoonlijk kende.

Hij zei stad wanneer jij blad zei.

Hij zei held wanneer jij speld zei.

Hij zei ach wanneer jij dag zei.

En daarvan wilde hij leven!