Test
Download document

BERCKMANS, J.M.H.



Taxi naar de Boerhaavestraat

…..
Voor het overige waren bijna alle Heiligen komen opdagen en JM had van het overschot van z’n dop voor melk en frisdrank en madeleintjes en borrelnootjes gezorgd zodat iedereen content was. Ouderling Hoskins en ouderling Lindow waren heel tevreden geweest over de organisatie. Broeder Decoo had een hele interessante uitleg gedaan over het leven na de dood, bij de eeuwige vader. Daarna hadden Guido en de dikke koe getuigenis afgelegd. Guido had het er nog redelijk afgebracht maar de dikke koe had een kwartier met haar mond vol tanden gezeten en ten slotte was broeder Van Tornhout er tussen gekomen en had dan maar zelf getuigenis afgelegd. Sonja Baekelandt zag er weer goed uit en de witte mens kon z’n ogen niet van haar af houden want Sonja Baekelandt zag er weer goed uit. Om elf uur stapte iedereen op. Om half twaalf komt toch die vreemde snoeshaan bellen, die Kamiel Vanhole uit Schaarbeek, die rare snuiter waar JM de laatste tijd mee optrekt. Die schrijver in de dop, die armoedzaaier. Hij was z’n lief gaan bezoeken in het zothuis van Sint-Antonius-Brecht, een zekere Lut van Dijck, die werkt daar, en daarna was hij van Brecht naar Turnhout gelift en toen had hij in het station gezien dat hij niet meer in Schaarbeek geraakte en daarom was hij met de laatste trein uit Turnhout naar JM komen afzakken. JM deed het woord en Kamiel luisterde aandachtig. Kamiel zegt nooit wat, Kamiel luistert alleen maar, en dat scheelt een stuk in de conversatie. Tegen half twee zakten ze af naar de Kring waar Carlos het om de een of andere reden aan de stok gekregen had met Mon de baron. Ze waren alle twee zat. De mannen van het kadaster zaten er nog en aan de toog hing alleen nog Luc Willemse met z’n zogenaamde secretaresse, die del van een Simone.

…..


Bericht uit klein Konstantinopel

…..
Nadat ik op haar flat in de Wielewaalstraat in Wilrijk Lutgardis Maria Marcel van Dijck zes kogels uit m’n Walther PPK door haar kop geschoten had omdat ze me zonder voorafgaandelijke verwittiging had laten rotten op m’n kot wiste ik overal m’n vingerafdrukken af, het wijnglas, de theekop, de deurklink, en verliet het appartement. Niemand zag of hoorde me buitengaan. Iedereen was uit werken. Het was typisch zo’n flatgebouw waar iedereen ganse dagen uit werken was. In het zweet van hun aanschijn en ter meerdere glorie van de Maagd Maria. De moeder van god. Op zo’n flatje woonde ze, maar nu niet meer. Nu was ze foetsjie kapoetsjie. Nu had ze de tijdelijke beslommeringen van haar sociaal engagement eindelijk ingeruild voor het de eeuwige van de rijstebrij en het engelengezang. Al wenste ik haar een baantje toe in de hel. Slavin van Baal.

…..