Test
Download document

RODENKO, Paul


Zomeravondval en de intocht der kinderen

Nu komt uit ieder oog een koekoek kijken
zwaluwen strooien pepernoten voor de bruid en
de minuscule koorddansers in blauwe tricots buigen
beleefd wanneer ze op hun spinnedraden
elkaar passeren
de burgemeester in zijn bokkewagen
komt met een hoed vol krekels thuis

en eensklaps zijn de straten oud van kinderen
papieren wimpels in hun hart
hun ogen zwitserse horloges
ze zwerven van alle vijf windstreken binnen
op lichte sandalen van zilvermos
en blazen een fleurige treurmars op
hun kleine trompetten van gentiaan
en stuk voor stuk gaan de vensters aan
in elk komt een ruitenvrouw te staan
een hartenheer of op zijn minst een klaver negen
(de astronomen namelijk zijn tegen)

En elk der kinderen brengt wat mee
een prins een kippepoot een schijfje zee
een olifantenmutsje van satijn
een spiegel met een ster erin een tor een rijm
een witte kui een doekje voor het bloeden
een eivormig stuk melancholiet
een prent van Klee
een moedermoord op vrijersvoeten
een slachtoffer met vlijt gekeeld
een speeldoos die van welles-niets speelt

Maar daar komt Henk al met de maan
Jo draagt de schaatsen van de nacht
en helemaal achteraan
komt Hannes met een natte spons
en sponst het bord zorgvuldig zwart.


Februarizon

Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano's.
De populieren werpen met een schoolse nijging
elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.

De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.
Ik draag het donzen masker van
de eerste lentewind.



Misschien …

Licht als een woord onder woorden

Heb ik het lam van onze ontmoeting geweid:

Je gang van sneeuw je stem van blauw je ogen

Kleine lekken in de tijd

Op paddenstoelen van geluk gezeten

Hebben wij lucht als brood gegeten

Hebben wij zon als wijn gedronken

Hebben wij kruimels van stilte vergaard

Tot een witglanzende bruiloftstaart

Wij kwamen uit gangen van misverstand

Uit kamers vol vingers vol kogelgaten

Wij hebben de deuren gesloten

Wij hebben de ogen geopend

De wereld was onze adem

Onze adem een vlammende vogel

Onze vogel een eenzame ster

De ster een kleine planeet

Een gouden schommel voor twee

Misschien is er een dijk gebroken, misschien

een kat verdronken, een mens gestikt

Misschien heeft men geschoten, gemoord, gewroken, misschien

is Atlantis opnieuw verzonken...


Vreemdeling

Ik ben een vreemdeling.

Ik sta apart.

Elk ding

zwelt tot een klam gezicht.

Ik tors het licht.

Het is stijf als een drenkeling.

Ik ben alleen.

Mijn moegerekte hart

staat steil gericht:

een meterhoge klarinet.

Maar geen geluid haalt grond in het

star zwijgen om mij heen.


De dichter

I
…..
In nachten van topaas en kamperfoelie

heb ik de eindeloze karavaan

heb ik de deinende kamelen van uw bloed

gezien.

In nachten van topaas en kamperfoelie

Heb ik de stomme optocht van uw bloed gezien

Naar de verhangen einder van de nacht.
…..
II

Wijd strekte hij zijn armen uit

Enorme wijzers

En sprak:

Ik ben uw eenzaamheid

Ik ben uw tijd

Ik ben de wijzerplaat

Van uw verlatenheid.

Ik ben het vaartuig in uw bedding

Ik ben de kabel in uw mijnschacht

Ik ben de sneeuwpop in uw tuin

Ik ben de buldog in uw hondenhok

Ik ben de stenen tempel in uw droom.

Waar geen gras groeit heb ik

De varens van mijn vers ontrold.

Waar geen wind stoeit heb ik

De merries van mijn stem doen steigeren.

Ik heb de emmers van uw eenzaamheid gevuld

Met geitenmelk
…..


Bommen

De stad is stil.

De straten

hebben zich verbreed.

Kangeroes kijken door de venstergaten.

Een vrouw passeert.

De echo raapt gehaast

haar stappen op.

De stad is stil.

Een kat rolt stijf van het kozijn.

Het licht is als een blok verplaatst.

Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein

en drie vier huizen hijsen traag

hun rode vlag.