Test
Download document

SWARTH, Hélène


KERSEN

Knaap, breng mij kersen op een zilvren schaal,
Strooi blanke rozen over ’t frisrood fruit,
Drijf ’t licht der zon met purpren voorhang uit
En buig de schenkkan naar de wijnbokaal.

Nu aan uw lippen zet de slanke fluit,
O blondgelokte, en speel voor nachtegaal,
Met zuiver juichen vul de marmren zaal
Of zachte klacht, een regen van geluid.

Die rode wijn vloeit warm als zonnevuur.
Neem, zoete knaap, een bekervol tot loon,
En laat mij spelen met uw lokkenblond.

Terwijl ‘k in ’t land der dromen dwaal en tuur
Naar ’t rood der kersen, glanzend rijp en schoon,
Vol stil verlangen naar een rode mond.


Winterdag

De wolken dreven wondersnel,

De bomen bogen naar elkaar.

O manneliefde! o wolkenspel!

Luid sloeg mijn hart, van weemoed zwaar.

Fel blies de kille winterwind

De loverloze lanen door.

'k Had willen wenen als een kind,

't Was of die wind mijn hart bevroor.

Toog ooit zo bleek, zo stil een paar,

De wegen langs met droever zin?

Wij gingen zwijgend naast elkaar,

Een troosteloze toekomst in.