Test
Download document
















VROMAN, Leo *****


Borstvogel


Hijs mij omhoog tot voor mijn blik

de sterren scheren langs de kooi

en kleur verschieten in mijn tooi

die keert wanneer ik naar hen pik.


Ik ben de vogel in mijn borst

die zingen kan als hij zijn kleed

in plokken losrukt en het eet.

Hij proeft alleen maar dorst,


geen water wreekt zijn bitter maal;

en toch: wanneer hij zich bespaart

één laatste veerpluim in de staart

verliest hij zang en taal.


Dan is het ongezongen lied

– hoe diep de nacht of purper licht –

en het ondenkbaarste gedicht

voor hem nog niet.


Hij beidt zijn eigen dag vol hoop

dat hij met stoppels in de stuit

zijn jubelende kreten uit.

Dan sterft hij aan de doop.


Ik voel je

Ik voel je

in de krans van mijn haast verdorde

armen lekker oud worden.

Dronken op elkaar drinken

is iets wat we nooit doen

maar heb ik mijn bril op als ik je zoen

dan klinken de vier glazen of wij klinken.


Je haar, dat eens naar nacht en regen rook,

geurt nu naar hete zonneschijn,

’s nachts ook.

Over nog een paar jaar

misschien

wordt je haar verblindend licht.

Dan kan ik je nog zien

met mijn ogen dicht.


Overschot


Wat zal er van mij over zijn

als ik lichamelijk verdwijn?

Boeken, bleke tekeningen,

schoenen, sokken al die dingen

waarin ik mij nog na laat strelen,

maar het vele zal vervelen,

de op te vouwen, weg te zetten

foto’s, foute zelfportretten,

al het jouwe en het mijne

zal als morgendauw verdwijnen

met het verdampende verdriet.


Maar onze liefde, nee, die niet.

Die woekert als wikke langs een grond

die ogenblikkelijk bestond.

Mensen die niets van ons weten

door onze liefde lief bezeten

zullen onze dingen doen en

zoenen en zoenen.



Aan R.N.

…..

En zo verliest zich het beminnen, zelfs het haten;

hier baat geen goede vriend om mee te praten,

de zee is leeg, de schepen zijn verbrand

en aan die stilte voel ik mij verwant

sinds ik mijn eigen leven heb verlaten

dat na bleef soezen in het polderland.


Vrede

Komt een duif van honderd pond,

een olijfboom in zijn klauwen,

bij mijn oren met zijn mond

vol van koren zoete vrouwen,

vol van kirrende verhalen

hoe de oorlog is verdwenen

en herhaalt ze honderd malen:

alle malen zal ik wenen.

Sinds ik mij zo onverwacht

in een taxi had gestort

dat ik in de nacht een gat

naliet dat steeds groter wordt,

sinds mijn zacht betraande schat,

droogte blozend van ellende

staan bleef, zo bleef stilstaan dat

keisteen ketste in haar lenden,

ben ik te dicht en droog van vel

om uit te zweten in gebeden,

kreukels knijpend evenwel,

en ‘vrede’ knarsend, ‘vrede, vrede.

Liefde is een stinkend wonder

van onthoofde wulpsigheden

als ik voort moet leven zonder

vrede, godverdomme, vrede;

want het scheurende geluid

waar ik van mijn lief mee scheidde

schrikt mij nu het bed nog uit

waar wij soms in dromen beiden

dat de oorlog van weleer

wederkeert op vilte voeten,

dat we, eigenlijk al niet meer

kunnend alles, toch weer moeten

liggen rennen en daarnaast

gillen in elkanders oren,

zo wanhopig dat wij haast

dromen ons te kunnen horen.

Mag ik niet vloeken als het vuur

van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,

rondlaait en mij wakker houdt?

Doch het versgebraden kind,

vuurwerk wordend, is het niet

wat ik vreselijk, vreselijk vind:

het is de eeuw dat niets geschiedt,

nadat eensklaps, midden door een huis,

een toren is komen te staan van vuil,

lang vergeten keldermodder,

snel onbruikbaar wordend huisraad,

bloedrode vlammen en vlammend

rood bloed, de lucht eromheen behangen

met levende delen van dode doch

aardige mensen, de eeuwlange stilte voor-

dat het verbaasde kind in deze zuil

gewurgd wordt en reeds de armpjes opheft.

Kom vanavond met verhalen

hoe de oorlog is verdwenen,

en herhaal ze honderd malen:

alle malen zal ik wenen.



Voor wie dit leest

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,

maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,

mijn hete hand uit dit papier niet steken;

wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.

Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;

verzacht het vreemde door de druk verstenen

van het geschreven woord, of spreek het uit.

Menige verzen heb ik al geschreven,

ben menigen een vreemdeling gebleven

en wien ik griefde weet ik niets te geven:

liefde is het enige.

Liefde is het meestal ook geweest

die mij het potlood in de hand bewoog

tot ik mij slapende vooroverboog

over de woorden die Gij wakkerleest.

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn

en door de letters heen van dit gedicht

kijken in uw lezende gezicht

en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,

zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;

en laat Uw blik hun innigste niet raken

tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

Lees dit dan als een lang verwachte brief,

en wees gerust, en vrees niet de gedachte

dat U door deze woorden werd gekust:

Ik heb je zo lief.


Blad Zijde

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn

en door de letters heen van dit gedicht

kijkende in Uw lezende gezicht

en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,

zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;

en laat Uw blik hun innigste niet raken

tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

Lees dit dan als een lang verwachte brief,

en wees gerust, en vrees niet de gedachte

dat U door deze woorden werd gekust:

ik heb je zo lief.


Jeldican en het woord

Over de heide

kroop Jeldican,

de staart tussenbeide

stomp vooraan.

Op gloeioren hing er een

belletjespet;

tussen twee vingeren

't zwaluwnet.

Japon aan het lijfke

van ruitestof,

blauwkousen van 't wijfke

en rinkelslof.

'Rood van den appel

in puntcipres,

peers van de pappel

te palfrines,

waar kan ik het vegen:

het fluit onder God,

het vliegt mijne wegen

fladderzot.

Kiekt het te hangen

aan bontekoord?

Hoe kan ik het vangen,

dat lieve woord' -

Iets klappert in 't warkruid,

goudbrem knikt,

het juichtpikt en hardfluit;

Jeldican schrikt.

Nooit had hij zo rijke

tralieten gehoord -

hij zát van het kijken:

was dit het woord?

Bonsbuikje laait met

gebed om geluk...

'jaaat' giert het graainet -

kippetjetuk!

O, veren te kussen!

Het woord aan zijn hart

tuitte intussen

nog ééns zo hard.

'O, schoon, o mijn heide,

pappelkes hoort!

Nooit kan ik meer scheiden

Heer, van dit woord.

Tja, nu naar het wijfke

als weduwenwind,

laat stormen het lijfke,

klapperend lint!'

Vol praat in zijn eentje

vloog Jeldican.

Koppeltje-beentje

daar kwam hij aan.

'Wijfke mijn toren,

hier is het woord!'

Zij zonder te horen,

sprak onverstoord:

'Aai, vogeltje vetbult,

nuttige zaak,

al dat het net vult

is muntemaak.'

Daar ging zij en ruilde

't voor wittebrood,

maar Jeldican huilde

en sloeg haar dood.


Bloemen

Als alle mensen eensklaps bloemen waren

zouden zij grote bloemen zijn met lange snorren.

Vermagerde vliegen, dode torren

zouden blijven haken in hun haren.

Tandenstokers, steelsgewijs ontsproten,

zouden zwellen tot gedraaide tafelpoten,

katoenen knoppen zouden openscheuren

tot pluche harten die naar franje geuren,

En op de bergen zouden gipsen zuilen staan

Die gipsen druiven huilen.

Op het water dreven bordkartonnen blaren,

De vlinders vielen uit elkaar tot losse vlerken

En van geur verdorden alle perken

Als alle mensen eensklaps bloemen waren.


Regeneratie

Ieder gedicht

dat ik schrijf

is het laatste

is mijn dood.

Dan smelt mijn gezicht

bijzonder groot

uit in mijn lijf,

in mijn schoot.

Als ik wegloop

mors ik een hoop

dode manen

en kruip-organen,

en ikzelf dool,

zo dun dan

zo fijn van vrees

als een chinees

symbool

voor 'man',

(één lijn

voor gebaar

en één voor voet,

waaruit bij mij

nog wat inkt bloedt)

heen.

schaamte: het oor

groeit het eerst weer aan,

spitst, st: leest iemand dit voor?

Dan zwelt een oogbal,

ontluikt en tuurt: weent iemand al?

En dan spruit bang mijn ellendige

bonzende inwendige uit.

Om zich te bevredigen

staat daar dan

vlak achter de lezende

een geheel volledige

dodelijk vrezende

Vroman.


September

Nog eenmaal door de weide,

nu bijna waterdiep,

ruisend voort schrijden,

badend in grasgezwiep;

en binnen, door horregazen,

nachtwind voelen, de koeien

horen ademen en grazen

of zachtjes bonkend stoeien;

nog eenmaal een teruggekeerde

stem en verwaaide taal

van een reeds tot mest verteerde vriend,

nog eenmaal.


Kathedralen

Wij zijn kathedralen

vol duistere geuren

en duistere gangen

achter zware deuren

verborgen zalen

Van het beeldwerk hangen

versmolten spiralen

en treurige slangen

van kleurloze kralen

Daar zijn voelbare balen

verouderde stangen

verwaarloosde palen

Daar stijgen en dalen

verdwaalde gezangen

verdichte verhalen

van dood en verlangen

zichtbare gangen

geopende zalen

en zonlicht


PSALM II

Systeem, Systeem, waar is mijn plaats?
Planeten wachten buitengaats,

geen Mars legt aan, geen Venus daalt.
Word ik verwacht of afgehaald?

Uw sterren keren traag maar vlug
hun puntbeeld naar Uw raadsel terug.

Hoe dicht Gij zijt hoe meer nabij
hoe meer verwart Uw oproep mij.

Uw stem herhaalt zich andermaal
waarheen ik U maar ademhaal,

kaatst in het hol van elke cel
waarin ik zelf de waarheid spel

maar laat mij hoorziek en ontheemd
en al Uw woorden zijn mij vreemd.

Zult Gij ooit zijn waar ik U prijs
in alle richtingen op reis
dan bid ik U te doen alsof
mijn stof mag paren met Uw stof.


Sluiting

Als ik morgen niet opsta
moet je niet schrikken:
per slot, elke opera
en alle toneelstukken
hebben hun ogenblikken,
het vallen van gordijnen
of andere ongelukken.
Dit is dan het mijne.

Sluit dus mijn gezicht,
doe die mond en twee ogen
maar netjes dicht
en ik ben voltooid.

Laat zo maar gaan,
en die oren mogen
nog openstaan,
want je weet nooit