Test
Download document

NEVELSTEEN, Max


Fallout


Toen ik een kind was

en nog argeloos sliep,

droomde ik steeds weer

dat een reusachtige donkerwolk

van spijkers naar beneden kwam

gedonderd en alles vernietigde.


Elke keer werd ik badend

in angst op een hoopje in de hoek

van de slaapkamer wakker

en stelde verbijsterd vast

dat de wereld nog draaide.


Odyssee

Na lange jaren van dit leven spoel ik weer aan,

terug in de tijd, en alles is hier blijven staan.

Je onschuld zit nog steeds gevangen in je schaamte,

je ogen, nog even verlegen, staren zonder vragen.

Ze kijken naast me, je mond wijst naar beneden.

In deze kille kamer van dit huis der vrekken

zie ik je omringd door liefdelozen die je nekken.


Gedrachten

Ben ik een ander ras,

een andere soort,

een Martiaan,

een meteoor?

Wie zegt me waar en wie ik ben ?

Er is geen stem die ik herken,

geen reden voor mijn groot verdriet.

Ik ga mijn blinde weg,

door de ruimte van het Niet,

door de glans van de sterrenrank.

Vreemd klinkt mijn klank,

raar klotst mijn geest.

Ik zit met een levensgroot ei,

het gevoel hier nog te zijn geweest.

Mijn groet is vals.


Ode aan de asfaltjungle


Scheve schouwen van lege fabrieken

spuwen traag oranjewolken over dode kanaalrivieren,

stijve witteboorden, roeste robots zitten in kantoren,

over gore werven, reuzensilo’s, huilen de sirenes

en braakt de wind.

Hoog, boven stalen wolkenkrabbers en kilometervreters,

glijden vreemde zilvervogels naar verre belten.

Ach betonbeton,

o bleekgezicht, o helblauw licht!