VAN BEERS, Jan


Maneschijn


…..

Lang bleef mijn oog de golving gadeslaan

Der wolken, en de vlotte schijf der maan,

Die nijdig steeds die golving doorbrak; – lang

Zag ik met het oog mijns geestes op de drang

Der woeste zee van mensenhoofden, waar

De kale en fletse schedel van de Dood

Ook boven uitblonk; – en op mijne schoot

Viel eindelijk mijn voorhoofd. – O, die nacht,

Wat heeft die mij al jammers meegebracht!



Tante Geertruid


…..

Thans kan uw oog, uit die verslenste trekken,

Uit die nog kloeke, maar geknakte leest,

Niet wel meer gissen wat ze eens is geweest,

En vast geen schoonheid meer der jeugd ontdekken;

Maar, breng haar eens op hare ‘jongen tijd,’

En, onder 't praten, komt ge al ras te weten,

Dat ze eens de ‘schone Geertrui’ werd geheten,

Die van de halve stad schier werd gevrijd.


Want beeldschoon was ze; en op haar schreden krielde

Het van aanbidders; ja! zelfs was er een,

Tot wie ze niet als tot al de andren ‘neen’

Gezeid had, toen hij smekend voor haar knielde;

Een, die zij in heur herte al gans een jaar

Verkoren had, voor dat hij zich verklaarde;

En toch - hoe vreemd een lot soms keert op aarde! -

Heur jonger zuster trouwde nog voor haar!


…..

Daar kropen jaren om. - Des wachtens moede,

Bad hij, wien ze eens heur trouwe had verpand,

Een laatste maal vergeefs om heure hand,

En huwde toen een andre. - 't Herte bloedde

Haar doodlijk bij die slag; - maar uit heur mond

Vernam nooit stervling iets van wat haar griefde;

Den kranke alleen was 't of hij in heur liefde

En heur geduld sinds iets van de englen vond.


…..

Zij zag dit aan: en, duizlig, opgetogen,

Liet ze een wijl heur ziel omdwalen in

Het glansrijk paradijs der moedermin,

Dat als een droom opdaagde voor hare ogen;

Maar, op hetzelfde ogenblik was 't haar

Als lispte een stemme grijnzend haar in de oren:

‘Dit paradijs zal nimmer u behoren!’

En luide snikkend vluchtte zij van daar.


…..

Zij was niet jong meer; - en nochtans, de dagen

Des rouwens waren pas voorbij, of daar

Kwam meer dan een aanbidder, die met haar

De huwlijksreis nog wel had willen wagen.

Maar, gold het haar nog, of alleen heur goud,

Dit liefdrijk blaken? - 't Scheen haar om het even;

Slechts éne had ze zich nog willen geven:

Hem, die niet wachtte... dies, bleef ze ongetrouwd.


De wereld deed haar zeer: hoe dwazer 't woelde

Van driften en vermaken om haar heen,

Hoe meer zij, in haar treurnis, zich alleen,

En als van elke vreugd vervreemd gevoelde.

Zelfs in die ouderlijke woning, waar

Voorheen de blijde erinneringen schenen

Uit ieder meubel en uit alle stenen

Haar toe te lachen, vond zij 't thans zo naar.


…..


Wanneer ik slapen zal

Wanneer ik slapen zal in ’t graf,

IJskoud, zwijgend, onbewogen,

In mijn doodskist vastgeschroefd,

Van eeuwig-donkere nacht omtogen;

En, als daarboven, in ’t lentelicht,

Bloemen en bladeren weer ontspruiten,

Wijl in de treurwilg over mijn hoofd,

De vogels van lust en liefde fluiten;

Zal er dan, in die zonneschijn,

Bij al dat fris opborrelend leven,

Niets meer, niets van wat ik was,

Mede genietend, mogen zweven ?

En –Vrouw ! – als we eindelijk allebei,

In de eigenste groef ter rust gedragen,

Weer liggen en sluimeren zij aan zij,

Gelijk we daarboven in ’t echtbed lagen;

En, als, bij zonnenondergang,

De kinderen verse bloemen brengen,

En licht daarover een stille traan

Van liefderijk herdenken plengen;

Of, als zij treurig tot elkaar

Fluisteren: “waar nog zijn ze te vinden,

Die op aarde hun leven lang,

Beminnen gelijk die twee beminden ?”

Zal er dan uit ons stilstaand hart

Geen vonk van d’oude gloed ontspringen

Die, lichtend en warmend, van mij tot dij,

Van dij tot mij door ’t graf komt dringen ?

En, als der kinderen kinders dan,

Die lichtkroon onzer oude dagen,

Met pruilend mondje en vochtig oog,

Bij ’t huiswaarts keren de ouderen vragen:

“komt nu grootva nimmer weer

Vertelsels vertellen en liedjes zingen ?

En brengt ons zoete Grootmoe nooit

Meer speelgoed mee of lekkerdingen ?

Zal er dan niets meer, niets van ons

Zich mogen aan d’ ijzeren nacht ontrukken,

Om op die hoofdekens, bruin en blond,
Onzichtbaar nog een kus te drukken ?



De blinde
…..
De kerk is leeg gestroomd. - Alleen 't geluid

Der zware deur, die toerolt en zich sluit,

Dreunt nog een poze; alleen, in gindse straten,

Sterft hier en daar nog soms de voetstap uit

Van een, die Gods woning heeft verlaten;

En alles zwijgt: - en 'k zit hier, op mijn steen,

Weer met mijn hond, als in een graf, alleen!
…..
Uw kind was, ja, uw vreugd, uw liefde, uw leven,

Zij was de frisse bron in uw woestijn,

Uws winters koesterende zonneschijn,

't Licht, in uw blindheid u teruggeven!

Maar Hij, die ze u verleende, ontnam ze u weer:
…..
En, sinds die schrikbre dag, zijn maanden, jaren

Mij over 't grijs en suffend hoofd gevaren:

Ik heb ze niet geteld.... Heel mijn bestaan

Is niet meer dan één smartkreet tot d'Alhoge,

Opdat hij spoedig toch voor mijn blinde ogen

Het licht zijns hemels op zou laten gaan.

En zeg! wanneer, wanneer zal ze eindlijk slaan,

De zalige uur, dat ik zal sterven mogen,

Dat ik in d'arm zal vliegen van mijn kind?

O! laat het nu zijn, God! uit mededogen!
Ik ben toch zo alleen, zo oud, zo blind!
…..


Martha de zinneloze
…..
En zij was schoon nochtans. Al 't liefelijkste paarde

Zich saam in haar, dat nooit gepaard mag gaan op aarde:

Fijn lende, melkwit vel, zwart haar, met ogen, zacht

En donkerblauw gelijk de nacht;

En dan een zwier zo eêl, dat ze onder haar vriendinnen,

Boerin, een juffer scheen te midden der boerinnen.
…..
Weder tooit de lieve Mei

Heg en hei,

Veld en wei.

't Is één gloed van schitterkleuren,

't Is één wolk van balsemgeuren;

Weder tooit de lieve Mei

Heg en hei,

Veld en wei

Met een bonte bloemensprei.

Hoor in bossen, hoor langs dalen,

Leeuweriken, nachtegalen,

Luider, blijder steeds herhalen

't Zoet gegorgel, 't hel geschrei:

Welkom, welkom, lieve Mei!
…..


De bestedeling


Langzaam galmde 't getamp

der beeklok over de velden,

Die, volzalig, in 't goud

van de avondzonne zich baadden.

Plechtig-roerende stond!

als in 't dorp elk moederke, eensklaps

Stakende 't snorren van 't wiel,

met het teken des kruises zich zegent;

Wijl op de akker de boer,

zijn dampende rossen weerhoudend,

Achter de ploeg zich 't hoofd

ontbloot, om een Ave te prev’len.

Plechtig-roerende stond!

als de klok, die 't einde der dagtaak

Wijd en zijde verkondt,

die krachtige, druipende hoofden

Neer doet buigen voor Hem,

die het zweet in de voor laat gedijen.

…..