ROBBERECHTS, Daniël



Aangekomen in Avignon

…..
Voor de eerste nacht - was het wel in La Bégude-de-Mazenc? - werd hem door een oude boer, aan wie hij vroeg of het water dat uit een buis bij de weg vloeide drinkbaar was, onderdak geboden. Maar de krampachtige, slaafse voorkomendheid waarmee hij die gastvrijheid meende te moeten betalen, en de meer dan alle stadswalmen benauwende ontdekking van al wat een menselijke woning kan bevatten aan menselijke misère - de dove, invalide boerin, de zwakzinnige, mummelende en grinnikende zoon of knecht in wiens aanwezigheid de boer aan tafel zei dat hij beter niet was geboren - deden hem voortaan elke gelegenheid tot herberging vermijden. 's Avonds, na het laatste dorp waar hij proviand had opgedaan, zocht hij een stille, beschutte plaats waar hij kon gaan liggen; 's morgens was zijn slaapzak bedauwd. Wat had hij wel verwacht? De avond dat hij door Dieulefit trok, liepen jongens en meisjes op beide trottoirs van de hoofdstraat te rellen - en hij, welk trottoir hij ook gebruikt mag hebben, wezenlijk liep hij in het midden van de straat, een wandelende noordeling. Uitgestoten? door hun onderlinge, voor hem ontoegankelijke gemeenzaamheid? door hun glimlachen dat evengoed louter goedwillig kon zijn? Hij keerde hun de rug toe, liep de avond in naar de Col du Serra: verwachtte hij misschien dat ze hem een heel jong, heel mooi meisje achterna zouden sturen: ‘Vreemdeling, blijf bij ons’? Het was toch niet zo maar plichtmatig geïnteresseerd dat hij monumenten bezocht. De Merovingische kerk en de Romeinse opgravingen in Vaison, de toren met de waarschijnlijk vroegste profane fresco's in Pernes-les-Fontaines, de ontoegankelijke, door een Avignonse paus gebouwde Chapelle du Gros-Eau, de toren van het kasteel van Gordes: dit waren plaatsen waar hij kon rusten zonder aandacht te trekken, waar hij niets hoefde te doen dan kijken, het licht van voorwerpen in zijn ogen laten dringen. Wel beroerd was het dat hij vaak autowegen moest volgen, de voorbijrazende auto's maakten zijn eenzaamheid, zijn traagheid en zijn vermoeidheid bespottelijk of althans zinloos kunstmatig - en het was niet eens mogelijk ze te negeren, hij moest immers voorzichtig voor ze uitwijken. Het was dan ook aan de verleiding van een autobushalte dat hij toegaf, toen hij enkele uren in de vlakte van Cavaillon had gelopen: elk stukje grond was bewerkt, de huizen stonden even dicht als in Vlaanderen, een verlaten plekje om te overnachten zou hij heel zeker niet vinden of men zou hem van marode, van beschadigingen verdenken, en de hoge, dichte cipresrijen die de boom- en wijngaarden voor de Mistralwind beschutten, benamen elk vergezicht. Maar daags tevoren was er dan toch de trip geweest van Fontaine de Vaucluse tot Sénanque via de Mur de la Peste, langs een zo weinig zichtbaar pad dat men op de boomstammen aangebrachte tekens moest volgen: van die hele dag had hij geen mens ontmoet dan boven op het plateau de herder die water voor hem had geput, zo'n dorst had hij dat hij geknield was en dadelijk uit de emmer had gedronken; dit was een heel andere ontmoeting dan met de jongens en meisjes van Dieulefit: ze naderden elkaar op een zeldzaam naakte, argeloze wijze, de herder en hij, zijn dorst werd gelest, hij vernam hoe laat het was en hoe lang hij nog moest lopen, de herder was blij dat hij iemand spreken kon, het vertrek was net zo vanzelfsprekend, zo gedachteloos als het dalen van de zon. En toch, het feit dat hij het in Cavaillon opgaf, niet doorliep naar Saint-Rémy en Les Beaux (maar hoe misplaatst en uit de toon zou hij zich dààr niet gevoeld hebben voor de winkels van pseudo-rustieke snuisterijen, voor het rustieke-hotel-met-drie-sterren, een voor geldzakken verbouwde schaapskooi?), toegaf aan de bekoring van een kamer met een bed in het hotel rechtover het station, dat feit kan niet volstaan om het onbehagen te verklaren waarmee hij zich die tocht herinnert. De berekening dat hij een week lang, alleen, dagelijks 25 à 30 kilometer heeft afgelegd en maar twee nachten onder een dak doorgebracht, moet de sportieve ambitie wel bevredigen. Achteraf blijkt ze uiterst ontgoochelend, de vaststelling dat een uittocht uit de vertrouwde ruimte en regelmaat van het Gesticht en het ouderhuis, en een dagenlange ontvankelijkheid voor elk onverwachte, niet volstaan hebben om hem in enig avontuur te betrekken. Welk avontuur? Het soort waar een twintigjarige nog om geeft. Niets kon beter dan een avontuur het verleden afsluiten, en niets kon zo onavontuurlijk zijn als een handelsreizigershotel bij het station van een groentehandelsstad. Hij mist een belevenis waar men houvast aan heeft. Was het dan geen belevenis, 's morgens de ogen recht naar een veelkleurig glorende hemel op te slaan? Alles schijnt er inderdaad op te wijzen dat dit hem geen belevenis geweest is, dat hij nu niet anders zou zijn indien hij die morgen niet had beleefd. Hij kan nu naar de uit Nyons gestuurde prentkaart kijken, Les Arcades de la Place du Docteur Roux, en denken en zeggen: ‘Daar ben ik toen geweest, me dunkt dat ik zelfs in een van de winkels onder de galerij brood heb gekocht, toen ik daar was werd ook net als op deze foto alles overheerst door het contrast tussen het ongenadige zonlicht op het begrinte plein en de schaduw onder de galerij, een vreemde schaduw die niet dan van onder uit, door de op het plein weerkaatste zon verlicht wordt’; maar het is toch veelzeggend dat, toen zijn vrouw vijf jaren later in een winkel aan ditzelfde plein een jurk kocht, hij het stadje niet dan door redenering en een blik op de kaart herkende: was het dan de moeite deze plaats, zo langzaam als het alleen een voetganger mogelijk is, te hebben aangedaan?

….