MARCIPONT, Christian



Croquis


Sa jupe noire essorait le soleil

voici l’été de notre jouissance

ses seins menus s’enfantaient en deux anses

par où tenait l’enfant son cœur vermeil


Comme une fugue un envol d’améthyste

elle tournoie sur la valse des reins

danse qu’elle est vers les mâles d’airain

forts en gosiers et la tendresse triste


Chacun se paie la petite fauvette

qui vient et va les mains lestées de plats

elle offre à tous leur portion d’ici-bas

quand sa pâleur nous frôle à la sauvette


Elle partage à tout ce qui respire

la paille gaie de ses sveltes cheveux

et son regard exhale cet aveu

homme de rien le monde est mon sourire


Ne jette d’interdit sur celle qui te hante

le seuil de ta rencontre avec elle est sacré

si ne la touche affleure à ses astres ocrés

c’est là ce que tu sais d’elle l’inconsolante


Un soupir de l’azur de sa bouche safrane

les sampans de sa peau sur un fleuve de riz

les passages de l’eau sont un arbre fleuri

où sur elle s’écrie un dieu en filigrane


Son haut fait d’épiderme est un qu’on ne redoute

en revanche respire un tilleul à mi-voix

qu’elle porte sur elle ardent et où tu vois

hennir tous les chevaux de la grâce et du doute



Schets


Haar zwarte rok wrong de zon uit

dit is de zomer van ons genot

haar borstjes werden geboren als twee handvatten

waaraan het kind zijn karmozijnen hart vasthield


Als een fuga, een vlucht van amethist

draait ze rond op de heupenwals

dans die zij is, naar de bronzen mannen toe

sterk van keel en droef van tederheid


Ieder gaat aan de haal met het grasmusje

dat komt en gaat, met handen vol spijzen

ze biedt aan allen hun deel van deze wereld

wanneer haar bleekheid ons stiekem beroert


Ze deelt met alles wat ademt

het vrolijke stro van haar ranke haren

en haar blik ademt deze bekentenis uit:

man van niets, de wereld is mijn glimlach


Sluit haar die door je hoofd spookt niet uit

de drempel van je ontmoeting met haar is heilig

raak haar niet aan, scheer langs haar okersterren

dat is wat je van haar, de ontroostbare, weet


Een zucht uit het azuur van haar saffranen mond

de sampans van haar huid op een rijstrivier

de waterstromen zijn een bloeiende boom

waarin een god in filigraan om haar roept


Haar huid is haar roem en boezemt geen vrees in

daarentegen ademt ingehouden een linde

die ze vurig op zich draagt, en waar je ziet hoe

alle paarden van genade en twijfel hinniken


( Vertaling Z. DE MEESTER)