Test
Download document

DIERICK, Aleidis


Gistel

De rode hoeven in het landschap

weggezonken tot de rand van hun geheime daken

onder het groene schuim van notelaren

driehonderd zomers van verdriet en zonden.


Onverwachte pleinen plotseling uitgestorven

in de dorpskerk sneeuwen fresco’s van de muur

de deuren draaien open op augustus

op een land met zon verblindend volgelopen.

O lopen schreien slapen in dit land van aarde

beminden zijn bevrijd o hevig leven

de heiligen aan hun zuilen vastgevezen

grijnzen bitter in hun geur van lelies.


Tortels in het trappenhuis II

…..

Wij zaten op dezelfde trede

de zevende, en leerden biechtgebeden.

Beneden werden borden klaargezet.

De tafel blank tot aan de randen

met brood en wijn. Gij kijkt mij aan.

Ik voel uw lichaam aan mijn handen.

Uw ogen zwart en groot

in een verbaasd en overweldigend bestaan.

Het vriest. De tortels vallen dood.


Februari


Februari de buizerds paren

in een nest van ijzel een zachte hartstocht

mijn minnaar hij mint met fluwelen handen

met een lichaam een woning van veren.


Een vlies van vorst op de binnenmeren

een sluier van sneeuw, in de middag

een waaier van losbarstend water

het erf vol geluid achter notelaren.


In de wortels een donker bewegen

een ader van groen door de aarde

een nest in de razende regens

mijn minnaar een stolp van begeerte.


Maart


De dagen breekbaar, van ijs, doorschijnend

de nachten van wind en beweging,

warmte, de aarde, zij kantelt.

Van gras een verrukkelijke keerkring.


Bruin en bewolkt zijn de stromen,

de struiken losbarstend in twijgen,

als huiven de kruinen vol vogels,

het hart is tot alles in staat.


Verlangen, een mond in het donker,

een mateloos verwachten van water,

beminde bevrijd mij van honger.

De morgen zo koel als agaat.


September


Avond en het water dichtbij

het landschap lichter en vlakker

achter zachte dijken van klei

's nachts houden de bomen mij wakker.


En bossen vol beken en netels

luid roepen de kuise fazanten mij tegen

de merels fluiten dagen bijeen

tot een uur vol ruisende regen.


Diep in het bos het water dichtbij

in het dof gekuch van de lichters

het najaar dagelijks dichter

angst werpt het anker in mij.


Tederheid zal ik u noemen

Gij maakt mij wilder wilder dan gras

en bloemen, ik die al wilder dan water ben

hoe zal ik u in mijn hartstocht noemen

u die ik nauwelijks ken.

Zal ik u lief en beminde noemen

in hoeveel namen vloeit gij mij uit

nooit stond een zomer zo te bloeien

in al zijn linden in al zijn kruid.

Hoe zal ik u in mijn kamer noemen

als gij schreiend uw mond drukt aan mijn huid

als gij stamelend man wordt in al uw zoenen

tederheid zal ik u noemen.


De aarde

Soms houd ik alleen van de aarde
van dieren niet, niet van mensen
van het hete zand, van het hevige
van grasland 's avonds, van heide.

O aarde ik duik u aan scherven
ik zink in uw zuigende waters
ademloos stijg ik later
naar een blindmakend landschap van zon.

Aanvaard mij in hooi in papavers
in zaden in kruid wil mij bergen
als ik schreeuw om die één om wie
ik zonder genade moet werven.


Vernissage of de tuin bestaat I

Nu wordt het water hoorbaar in de stilte.

Zo was de regen vroeger aan het raam

toen ik een kind was en, bij bomen woonde

en als de vossen was, heel blond, en zonder naam.

De wortels groeiden glanzend uit de duinen,

de zomers regen zich als kralen aan elkaar,

ik viel verrukt een ander lichaam tegen

in helder water, de bodem stil en klaar.

De vennen blonken donkergroen en vonkten

lang voor het onweer losbrak op de hei.

Geluk is drijven in voorzichtig water,

de regen over ons groen als de wei.

…..

Veel te veel geluk verwacht. Niet genoeg

gestampt, gebeten. Laf, in eigen vlees

gesneden. Eigen ruiten ingesmeten. Neergehurkt

rn zitten grienen waar de meeste stenen vielen.

Volgzaam en te braaf geweest. Weggebleven

van het feest. Rondgehinkt in glazen muiltjes.

Vloeren nagevlooid op vuiltjes. Nooit

alleen op reis geweest. Iedere week

bij hen te biechten. Bidden, bidden en plichten

in het huwelijksbed verrichten

….


Vernissage of de tuin bestaat VIII

o Jong zijn. Kleine borsten hebben,

zien hoe verlegen plots de jongens staan.

Een nieuwe innigheid die kwelt en zoet is.

Pianoles, de leraar en de maan.

De zomer anders, alle geuren anders,

de stad een landkaart, 's zondags appeltaart,

sigarengeur als er nog laat bezoek is,

bevlagde boten, trékaken op de vaart.

En lezen. Donkere wetenswellust,

geheime tover van het wondere woord,

heel eenzaam in een heel stil huis zijn.

Gedichten lezen. Tot men namen hoort.


De avondmis

Tegen zijn hals rust de amikt, sneeuwwit.

Hij kruist de linten op zijn rug en legt

vooraan een strik. De sacristie krijgt licht

van boven. Gekrab van duivepootjes is te horen.

Avondgeluiden van een lege stad.

Vakantie. Aan de staande kapstok

heeft hij zijn jasje opgehangen.

Hij strijkt de plooien glad.

De albe past hem als gegoten.

Hij hangt het lendenkoord terug in de kast.

Een geur van boenwas en van oude sloten,

geoliede scharnieren, zuiver linnen.

Bartholomeus. Rood. Kazuifel helder carneool.

De pelikaan van koper. Dood. Verrijzenis.

De armen spreidt hij als een vogel,

ontkomen aan verderf en duisternis.

In het borduursel schitteren bloedkoralen.

De daggebeden van de martelaren.

Kijkend in de spiegel wast hij zich

de handen en hij ziet hoe mooi hij is.