HERMANS, Toon
Liedje voor Rietje
'k Herinner me de versgeverfde banken in 't plantsoen
De pleinen en de straten waar we liepen
De eindeloze treinen en de stilte in het groen
De stoelen op het strand waar we insliepen
De Méditerranée, de witte bootjes
Ons eerste weekend in een Frans hotel
Die badkuip met die porseleinen pootjes
Die voordeur met die eigenwijze bel
'k Herinner me je hoedje en die plastic paraplu
En ook de bomen waar we onder schuilden
Een zee, een strand, een stad, een dorp, een steeg, een avenue
'k Herinner me de tranen die we huilden
Je kleinste badpak en je gekste schoenen
M'n lief, ik weet oneindig veel van jou
Perronnen met wat onvoltooide zoenen
En met wat doorgelopen ogenblauw
De tafel, de gordijnen, het bloemetjesbehang
De kleinste dingen leken vanzelfsprekend
Het wiegje naast de piano, het steppie in de gang
Alsof het iemand zo had uitgerekend
k Herinner me je voetstap op de trappen
'k Zie ons nog amen fietsen op de dijk
'k Herinner me de mazzel en de klappen
We waren samen arm en samen rijk
Vriend
Je hebt iemand nodig,
stil en oprecht,
die als het erop aankomt
voor je bidt en vecht.
Pas als je iemand hebt,
die met je lacht en met je grient,
dan kun je pas zeggen:
‘k heb een vriend.
…..
’n Beetje
Sterven doe je niet ineens,
maar af en toe een beetje
en alle beetjes die je stierf,
’t is vreemd, maar die vergeet je,
het is je dikwijls zelfs ontgaan,
je zegt ik ben wat moe,
maar op een keer dan ben je aan
je laatste beetje toe.
Dank u
Ik heb gehuild, gelachen en gevochten
Ik lag in warme bermen en in gladde bochten
Ik hief het glas, het viel in duizend scherven
Ik wist de grijze hemel
Toch weer blauw te verven
Ben blijven pogen
Al verbrandden al mijn schepen
Ik heb gebaald, gefaald
En heb hem vaak geknepen
Er was applaus en ik werd heftig uitgefloten
Maar als ik ga dan zeg ik Dank U
Ik heb genoten
Ga nooit weg zonder…
Ga nooit weg zonder te groeten,
ga nooit heen zonder een zoen.
Wie het noodlot zal ontmoeten,
kan het morgen niet meer doen.
Loop nooit weg zonder te praten,
dat doet soms een hart zo pijn.
Wat je 's morgens hebt verlaten,
kan er 's avonds niet meer zijn.
Lente me
Ik zing je, ik refrein je
Ik sherry je, ik wijn je
Ik speel je en ik vleugel je
Ik Rembrandt en ik Brueghel je
Ik koffie en ik thee je
Ik strand je en ik zee je
Ik spel je en ik blader je
Ik moeder en ik vader je
Maar ik wil jou zo graag iets vragen
Dat gaat veel verder dan een zoen
Ik wil jou zo graag iets vragen
Zou je voor mij wat willen doen
Lente me, zomer me
September me en winter me
Want ik heb je onophoudelijk lief
Morgen me, middag me
Avond me en nacht me
Met andere woorden
Blijf bij me, alsjeblieft
Ik wil in je ogen weer de bloem zien van de appelboom
En je zomers wil ik voelen op mijn wang
Ik wil de bladeren zien vallen op mijn stille droom
En de lichtjes van de kerst weer zien bewegen op het behang
Lente me, zomer me
September me en winter me
Want ik heb je onophoudelijk lief
Morgen me, middag me
Avond me en nacht me
Met andere woorden
Blijf bij me, alsjeblieft
Lente me, zomer me
September me en winter me
Er moeten mensen zijn
Er moeten mensen zijn die zonnen aansteken
Voordat de wereld verregent
Mensen die zomervliegers oplaten
Als ’t ijzig wintert
En die confetti strooien tussen de sneeuwvlokken
Die mensen moeten er zijn
Er moeten mensen zijn die aan de uitgang van ’t kerkhof ijsjes verkopen
En op de puinhopen mondharmonica spelen
Er moeten mensen zijn die op een stoel gaan staan
Om sterren op te hangen in de mist
Die lente maken van gevallen bladeren
En van gevallen schaduw licht
Er moeten mensen zijn die ons verwarmen
En die in een wolkeloze hemel
Toch in de wolken zijn
Zo hoog
Ze springen touwtje langs de regenboog
Als iemand heeft gezegd:
Kom maar in m’n armen
Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan
Er moeten mensen zijn die op het grijze asfalt
In grote witte letters ‘liefde’ verven
Mensen die namen kerven in een boom vol rijpe vruchten
Omdat er zoveel anderen zijn die voor de vlinders vluchten
En stenen gooien naar ’t lenteblauw
Omdat ze bang zijn voor de bloemen
En bang zijn voor ik hou van jou
Ja, er moeten mensen zijn met tranen als zilveren kralen
Die stralen in het donker
En de morgen groeten
Als het daglicht binnenkomt op kousenvoeten
Weet je, er moeten mensen zijn die bellen blazen
En weten van geen tijd
Die zich kinderlijk verbazen
Over iets wat barst van mooiigheid
Ze roepen van de daken dat er liefde is en wonder
Als al die anderen schreeuwen: alles heeft geen zin
Dan blijven zij roepen: nee, de wereld gaat niet onder
En zij zien in ieder einde weer een nieuw begin
Zij zijn een beetje clown
Eerst het hart en dan het verstand
En ze schrijven met hun paraplu ‘i love you’ in het zand
Omdat ze zo gigantisch in het leven opgaan
En vallen en vallen en vallen en opstaan
Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen blijven dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan
De muziek gaat door
De muziek
Gaat
Door
Als de liefde niet bestond
(naar J. Brel)
Als de liefde niet bestond
Zullen ze stilstaan, de rivieren
En de vogels en de dieren
Als de liefde niet bestond
Als de liefde niet bestond
Zou het strand de zee verlaten
Ze hebben niets meer te bepraten
Als de liefde niet bestond
Als de liefde niet bestond
Zou de maan niet langer lichten
Geen dichter zou meer dichten
Als de liefde niet bestond
Nergens zouden bloemen staan
En de aarde zou verkleuren
Overal gesloten deuren
En de klok zou niet meer slaan
Als de liefde niet bestond
Dan was de hele vrijerij bedorven
De wereld was gauw uitgestorven
Als de liefde niet bestond
Als de liefde niet bestond
Zou de zon niet langer stralen
De wind zou niet meer ademhalen
Als de liefde niet bestond
Geen appel zou meer rijpen
Zoals eens in het paradijs
Als wij elkaar niet meer begrijpen
Dan is de wereld koud als ijs
Ik zou sterven van de kou
En m'n adem zou bevriezen
Als ik je liefde zou verliezen
Er is geen liefde zonder jou
Het Àl
Ik ben de zon, de maan, ik ben de regen,
‘k ben onbeschrijfelijk, niet te meten noch te wegen.
Ik ben rivieren, ik ben zeeën, bliksem, donder,
ik ben de kleine mens, maar wèl het grote wonder.
Ik ben het water en de vruchten en het koren,
het leven dat uit àlle leven wordt geboren.
Ik ben het allemaal – de wijze en de zot
en in mijn kleinheid schuilt iets van een Grote God.
Alles is heimwee
Alles is heimwee
Wolken en water
Alles is heimwee
Naar vroeger – naar later
Vroeger is over
Later – een ster
Gisteren is oud
En morgen nog ver
Als de stilte komt
Nu ’t rouwrumoer rondom jou is verstomd,
de stoet voorbij is, de schuifelende voeten,
nu voel ik dat er ’n diepe stilte komt
en in die stilte zal ik je opnieuw ontmoeten.
En telkens weer zal ik je tegenkomen,
we zeggen veel te gauw: het is voorbij.
Hij heeft alleen je lichaam weggenomen,
niet wie je was en ook niet wat je zei.
Ik zal nog altijd grapjes met je maken,
we zullen samen door het stille landschap gaan.
Nu je mijn handen niet meer aan kunt raken,
raak je mijn hart nog duidelijker aan.
Cirkel
Ik heb gezocht
gevonden en verloren
en weer opnieuw gezocht
totdat ik het weer vond.
Een mens wordt zoveel meer
dan eens geboren
en voor wie zoekt
is op ’n dag de cirkel rond
Veevervoer
Dit is hun laatste rit
er is geen greintje kans op mededogen
zo kijken ze me aan
met leed-beladen ogen
Vrede is
Vrede is een kind dat glimlacht als je ernaar kijkt,
een weiland waar de jonge veulens grazen,
's avonds samen fijn naar huis toe fietsen op de dijk,
het hinkelhok, de hoepel, bellen blazen.
Vrede is geen groene tafel maar een stille kracht,
geen systeem, geen plan dat wordt berekend of bedacht.
Vrede is een opa die verliefd met oma danst,
vrede is de gloed die in vertrouwde ogen glanst,
vrede is een oud verhaal dat met een ster begint,
een stal, een houten kribbe... en een kind.
Verzinnen
Ik heb in de zomer bomen verzonnen
van goud met zilveren belletjes
en kronen op hun kruin met diamanten
die schitterden in de zon.
Diamant
In de winter heb ik prachtige paarden gemaakt
van vers gevallen sneeuw
en zij draafden over de bergtoppen
en dansten in het dal met wapperende sneeuwmanen
en zwierige staartguirlandes.
Ik heb in de herfst vuur aangestoken
in vlammend vermiljoen blad –
en zilveren regens joeg ik over het platteland –
en de zotte pijpenstelen
braken in goddelijke gruzelementen
en rolden door polders en winkelstraten
en in de lente heb ik licht opgericht
van het lichtblauw van kinderogen –
zó helder… zó nieuw –
dat iets zo nieuw kon zijn
heb ik nooit geweten
en tòch bleef de leegte…
omdat ik haar niet verzinnen kon.
Lente
Het ene is nog mooier dan het andere,
de appelboom, de perelaar
en zienderogen staan ze te veranderen,
ik sta erbij en kijk er naar.
‘k Heb er geen hand voor uit hoeven te steken
mijn hand is trouwens daarvoor veel te klein,
maar ik raak op al dit moois niet uitgekeken,
staat dit er allemaal voor óns, zou dat zo zijn?
Nu hier de witte bloesems uit de takken breken,
nu is de verre hemel even héél dichtbij
en wat ik zie, dat kan ik niet in woorden spreken,
er gaat vandaag gewoon een wonder door de wei.
Ik heb het leven lief
Ik heb het leven lief, de mensen en de dieren
De zeeën en rivieren, ik heb het leven lief
Ik heb het leven lief, de bergen en de dalen
De warme zonnestralen, ik heb het leven lief
De trieste ochtendkrant, ze zal mij niet benauwen
Ik blijf van het leven houden, tot aan de laatste dag
Al zijn ze nog zo droef, de dingen die gebeuren
Er komen nieuwe kleuren, met elke nieuwe dag
Ik heb het leven lief, ik heb het nooit verzwegen
Het wonder van het bewegen, de vreugde van het bestaan
Ik heb het leven lief, ben blij dat ik ben geboren
Dat ik kan zien en horen, een hart kan horen slaan
Als in het zomergroen, de fiere populieren
Hun blijde zomers vieren, ik ruik het jonge groen
Rolt over het open veld, de bliksem en de donder
Dan speur ik iets van het wonder, heel diep in mijn karkas
Ik heb het leven lief, hoe dikwijls ik ook faalde
De tol die ik betaalde, daarvan heb ik geen spijt
Ik heb het leven lief, ik schreeuw van de daken,
ik zal er wat van maken, ik heb het leven lief
De morgen aan mijn raam, de avond vol applausen
De koffie in de pauze, ik heb het leven lief
En valt het doek dan dicht, nog even op het leven
Een laatste glas geheven, ik heb het leven lief
Ik heb het leven lief, het sterke en het broze
Het blije en het boze, ik heb het leven lief
Ik heb het leven lief, de hoge regenbogen
De glimlach in je ogen, ik heb het leven lief
En jij, mijn liefste jij, jij hebt me van jouw leven
Het mooiste stuk gegeven, ik heb jouw leven lief
Want jij, mijn liefste jij, jij gaf me zoveel dingen
Jij hebt mij leren zingen, ik heb het leven lief
Zo’n idee
Er moet toch 'n plek zijn, 'n land of 'n rijk
Waar iedereen happy is en iedereen gelijk
Er moet toch zo'n plek zijn, of dacht je van nee
ik weet het niet zeker, maar ik heb zo'n idee
Er moet toch 'n plek zijn, ver hier vandaan
Daar kookt nooit wat over, daar brandt nooit wat aan
Geen vel op de melk, geen vlieg in de thee
Ik weet het niet zeker, maar ik heb zo'n idee
Er moet toch 'n plek zijn, vèr weg zeggen ze
Daar glijdt nooit je broek van je kleerhangertje
Daar is iedereen gezond, geen hond kijkt tv
‘k Weet ‘t niet zeker, maar ik heb zo'n idee
Er moet toch een plek zijn van 'n ander allooi
Ver weg van de haat en het kleine geklooi
Geen roddels, geen pijn en geen ach en geen wee
Ik weet het niet zeker, maar ik heb zo’n idee
…..
Er moet toch 'n plek zijn, zo kinderlijk speels
Daar loopt nooit de rits van je gulp uit de rails
En niemand is hongerig en niemand blasé
Ik weet het niet zeker, maar ik heb zo'n idee
Daar is alles anders, de poen en de sex
Je gaat er ook heen zonder travellercheques
Maar als d’r één gaat, roep ik nooit 'mag ik mee'
Want ik weet het niet zeker, maar ik heb zo’n idee
Ik heb zo’n idee, dat idee maakt me bang
Dat de hemel nog open is, maar wie weet voor hoe lang
Want als er geen mensen meer zijn hier benee
Dan kan die hemel wel sluiten en da’s een droevig idee
Maar waarom zou onder de zon en de maan
Ook niet een klein stukkie hemel bestaan
Verder
Verder van de wereld weg
elke dag een beetje
dichter naar de hemel toe
elke dag een treetje
M’n engel Gabriël
Ik had een eigen engel en die heette Gabriel
Die engel had ik nodig want ik kneep 'm als de hel
Hij sloeg meteen zijn vleugels uit bij elk gevaarlijk spel
Een heilig soort gevogelte: mijn engel Gabriel
En onder glazen stolpen zag ik de Madonna staan
D'r brandde dan een lampie bij en voor het slapen gaan
Werden alle kinderen gewassen in de teil
En dan het Onze Vader knielend op 't koude zeil
Nu zit ik diep te denken wat het bidden toch zou zijn
Dat deed ik vroeger nooit en daarom ging het toen zo fijn
Ik steek nog weleens een kaarsje aan en ik sla nog wel eens een kruis
Maar het gaat toch niet zo lekker meer als vroeger bij ons thuis
Toch heb ik wel eens heimwee naar mijn engel Gabriel
Ik heb hem wat verwaarloosd: dat is waar, ik weet 't wel
Maar zit ik in de piepzak, in de rats of in de rouw
Dan roep ik net als vroeger: Gabriel, waar zit je nou
De zee
Als ik de zee zo zie, zo soepel en flexibel
In elke rimpel, elke golfslag, elke wiebel
hoe zij zich vrij en blij ontspant in elke druppel
dan ben ik potverdrie toch maar een stijve knuppel.
Tante
Ze is zo aardig voor de zieken, tante Corrie,
ze dirigeert met zwier een vluchtelingenkoor
en ze heeft voor ouwe mensjes, warme erwtensoep of flensjes,
maar d’r eigen man komt in het stuk niet voor.
Merel
hij slaat zijn vleugels uit
en vliegt naar hoger sferen
en daar begint-ie dan
meteen te kwinkeleren
want in zijn lijfje draait
een luchtig mechaniekje
en dat veroorzaakt af en toe
“n vluchtig klein muziekje
Geluid
o walgelijk geluid
dat door de wereld knettert
en spat op onze huid
en ons gehoor verplettert
o walgelijk geluid
gedreun, geknal, geklop
wie vond dat alles uit
en legde ’t zwijgen op
aan het ruisen van het riet
in al zijn lieve tonen
zo werd het scheppingslied
de schreeuw van de demonen
Dankbetuiging
‘k Heb een wei om in te lopen
waar nog boterbloemen staan
’s avonds laat heb ik de sterren
af en toe een volle maan
‘k heb een bed en ‘k heb een tafel
ik heb eten op mijn bord
en ik heb jou, ik mag wel zeggen
schat, we komen niets tekort.
Zelfportret
Mijn bolle billen zijn van lieverlee vermagerd
en op mijn kaken zweeft een wat verbleekte blos,
het voorhoofd hoger en de buik een beetje lager
en ook de huid laat hier en daar ’n tikkie los.
Er komen wallen, zakken, kringen, rimpels, kuilen,
het lijf wordt stijver, maar veel soep’ler wordt de geest,
ik lach om dingen waar ik vroeger om kon huilen,
want in mijn hart ben ik nog nooit zo jong geweest.
Als wat sterft zal bloeien
De bomen komen uit de grond
en uit hun stam de twijgen
en iedereen vindt het heel gewoon
dat zij weer bladeren krijgen
we zien ze vallen op de grond
en dan opnieuw weer groeien
zo heeft de aarde ons geleerd
dat ál wat sterft zal bloeien.
Masker
Dit is het grote carnaval
van levenloze leuzen
het masker kijkt het masker aan
de dwergen zijn de reuzen
de glitterdomheid loopt voorop
en hupt met ’n corrupte pop
wat licht lijkt, dat is duisternis
want niets is, wat het waarlijk is
’t is louter fake en haat en nijd
de dans is leugenachtigheid
doorheen de blije deun van ’t bal
schijnt ’n verfomfaaid tranendal
Op dit moment
Ergens wordt ’n baby’tje geboren
Ergens speelt ’n man op ’n trompet
Iemand heeft zich lekker glad geschoren
Iemand fluister: ga je mee naar bed
Op dit moment, deze seconde
Iemand eet een ijsje met frambozen
Iemand staat te wachten op de bus
Iemand koopt een bosje rooie rozen
Iemand kust de eerste kus
Op dit moment, deze seconde
Ergens is er iemand zwaar bezopen
Iemand krijgt een klap in z’n gezicht
Ergens snijdt er iemand iemand open
Ergens plakt er iemand iemand dicht
Op dit moment, deze seconde
Ergens zo veel dooien en gewonden
Fluit een kogel door de achterruit
Elke tikketak, elke seconde
blaast er één z’n levenslichtje uit
Op dit moment, deze seconde
Morgen staat er droefheid in de kranten
Een lijst van rampen waar de mens om treurt
Maar nergens staat een lijst van zaligheden
Van al dat lieve dat op dit moment gebeurt
Op dit moment, deze seconde
Geluk 1
Je kunt geluk, lief meisje, niet grijpen met je hand
niet zetten in een lijstje, niet binden in een band,
Je kunt het zelf niet maken van hout van steen of zand
niet breien en niet haken niet knippen uit een krant
Je maakt het niet van aarde, ook niet van gras of hooi
en omdat je het niet maken kan, is geluk zo mooi
't Is een ongeschreven liedje, de vogels zingen het uit
het woont in hoge hemelen en diep onder je huid.
Geluk 2
Geluk dat is geen kathedraal
misschien een klein kapelletje
geen kermis luid en kolossaal
misschien een carrouselletje
geluk is geen zomer van smetteloos blauw
maar nu en dan een zonnetje
geluk dat is geen zeppelin
’t is hooguit ’n ballonnetje.
Iets anders
Ik wil iets anders in m’n hoofd
iets wat me niet zo eenzaam maakt
en meer naar ’t lieve leven smaakt
de vlam weer aansteekt in ‘in hoofd
Ik wil iets anders in m’n hoofd
iets dat m’n dagen anders kleurt
dat anders klinkt en anders geurt
de vlam weer aansteekt maar niet dooft
ik wil iets anders in m’n hoofd
Zonder woorden
Kruip wat dichter bij elkaar,
geef elkaar een pakkerd,
als opeens van binnenuit
de liefde volop flakkert
en vind je niet de woorden om
haar alles uit te leggen,
geen nood, het lijf kan af en toe
de mooiste zinnen zeggen.
Ongehoord
Wat ik niet zeggen kan
en niet kan schrijven
zal ergens diep in mij
toch bij me blijven
Ongehoord
maar in een lieve duisternis
verbergt zich iets
dat meer dan woorden is
Liedjes van de herfst
Liedjes van de herfst zijn altijd somber,
zijn gemaakt van okers en van omber.
Toch ken ik septembers met een gouden glans,
Toch zijn er novembers met een toverdans.
De zon heeft in december mij al zo vaak verrukt
en dikwijls heb ik rozen uit de sneeuw geplukt.
En daarom schrijf ik dit kleine lied,
niet wachten op de lente, want dan komt ie niet.
Herfst
November grijzegrauwt over de daken
En vloekt en snauwt de bange bomen af.
Hij komt met bruut geweld de naakt
Takken kraken en dode blaren jaagt
Hij voort in ’t open graf.
Tranentrap
Als tranen een trap konden bouwen
en herinneringen een brug
dan klommen we hoog de hemel in
en haalden we je gelijk weer terug
Heimwee
Ik heb geen heimwee naar ’t ontzet van Leiden,
Floris de Vijfde, Karel I of Hannibal;
geen spetje heimwee naar de grote stille heide,
naar ’t stille dal waar druppels spatten overal.
Wel kan ik heimwee hebben naar de oude bomen,
de banken in het park, de allereerste zoen,
de klank van kermis en fanfare in de straten
en de processie in het rijke zomergroen.
Wel kan ik heimwee hebben naar die warme kamer
of naar het lamplicht op de pluche tafelsprei,
waar wij op winteravonden tezamen zaten,
of naar die lieve woorden, die mijn moeder zei.
Wel kan ik heimwee hebben naar haar stille handen
of naar het dambord en de appels op de haard,
of naar het hoekje waar een eeuwig lampje brandde.
Al wat ik liefhad heb ik diep in mij bewaard.
Zee
ik wil alleen zijn met het strand,
ik wil mijn ziel wat laten varen,
niet mijn lijf en mijn verstand.
Ik wil gewoon een beetje dromen
rond de dingen die ik voel
en de zee, ik weet het zeker,
dat ze weet wat ik bedoel.
Ik wil alleen zijn met de golven,
‘k wil alleen zijn met de lucht,
ik wil luist’ren naar mijn adem,
ik wil luisteren naar mijn zucht.
Ik wil luisteren naar mijn zwijgen,
daarna zal ik verder gaan
en de zee, ik weet het zeker,
zal mijn zwijgen wel verstaan.
De tijd
Ik heb hem niet gezien, de tijd
'k zag niet dat hij voorbijging
ik heb hem niet gegroet en hij
vroeg ook niet hoe 't met mij ging
zo zijn de jaren weggespoeld
naar hier, naar daar, naar waar...
als je de tijd té duidelijk voelt
dan weegt ie veel te zwaar
'k gaf mij niet altijd rekenschap
van alles wat ik deed
van elke daad, van elke stap
van alle lief en leed
't is allemaal maar éven
't duurt allemaal niet lang
niet stilstaan bij het leven
dan blijf je aan de gang
Vader gaat op stap
…..
Vader werpt zich in het mondaine
Vader heeft vandaag iets geks
Heeft geen last meer van migraine
Vader gaat vandaag op seks
Vader heeft vandaag dat jeune
Je kunt het horen aan z'n stem
Waar de blanke top der duinen
Past opeens niet meer bij hem
Vader heeft vandaag dat zwoele
vader gaat op het slechte pad
Nou eens niks te voetbalpoolen
Vader wil nou wel eens wat
De dood
De dood bleek een meneer te zijn,
hij wenkte aan mijn raam,
ik zag hem staan, bij het gordijn
en zacht riep hij mijn naam.
‘k Schoof de vitrage wat opzij,
hij wees, en riep: ‘Ja, U.’
Ik maakte een sierlijk buiginkje
en sprak galant: ‘Na U.’
Als stilte taal geworden is
Ik kon niet zeggen wat ik voelde
Ik heb het ook niet uitgelegd
Maar toch wist jij wat ik bedoelde
De stilte had het al gezegd
Als ik je kuste of griefde
In blijheid of in droefenis
De liefde is pas echt liefde
Als stilte taal geworden is
Leven
Al wie leven wil wordt ouder
alle dagen van het jaar
handen, voeten, kop en schouder
ouder, en met huid en haar
maar boven dag en uur verheven
leeft een ziel heel diep in mij
zij is altijd jong gebleven
en kent jaar noch jaargetij.
Huis
Eens wordt het huis vanbuiten oud
de ramen en de deuren
maar binnen is ’t of in hun vaas
de rozen jonger geuren
zo gaat het met de lijven ook
de kleur valt van je konen
terwijl het schedeldak vergrijst
hoe langer we erin wonen
maar al knijpt de kou me in m’n huid
al denk ik: ik vernachel
van binnen voel ik mij niet oude
want binnen brandt de kachel.
Liefdesliedje
Ik ken geen ogen
met datzelfde hemelsblauwe
er is geen warmte
die zo warm is als de jouwe
er zijn geen oren
die zo eind'loos kunnen luisteren
ik ken geen stem
die zoveel lievigheid kan fluisteren
er zijn geen handen
die zo teder kunnen strelen
geen mens waar ik zó graag
mijn liefde mee wil delen.
Angst
de angst is laf, ik kan het weten
ik kwam hem tegen, menig maal
ik zag zijn schim in de coulissen
ik zag hem zitten in de zaal.
de angst is laf – hij komt jouw kant op
als hij weet dat je hem knijpt
maar hij neemt acuut de benen
als je ‘m bij zijn lurven grijpt.
Regenen
Lekker regenen lekker druppelen
Laat me door de regen huppelen
‘k voel de druppels op mijn haar
Toe maar regen, regen maar
eerst wat zon en even later
koel en helder regenwater
‘k spring erin als in een bad
als een kind wie doet me wat
‘k loop te huppelen en ik zing
regen is een zegening
Tango van het blote kontje
Dit is de tango van het blote kontje
Dit is de tango van het poedelnaakte strand
Mevrouw de Wit is net zo poedel als d'r hondje
Hier in het grote blote hemelbed van zand
is de trend we halen alles naar beneden
Met deze tango van het progressieve niets
O het is een grote zegen
Want we zijn de stof ontstegen
Met de blote piemel op de waterfiets
Dit is de tango van het blote kontje
Alweer een doorbraak met een positief geluid
Hier is geen sprake van een borstrok of een bontje
Ze zeggen Uit is goed voor u dus alles uit
Je weet als leek niet waar je 't eerste naar moet kijken
Je ziet zo veel en ook zo weinig langs je gaan
Bodybuilders en hansworsten
En diverse damesborsten
Kijken je met grote roze ogen aan
…..
Neem
Neem een beetje van mijn appel
Neem een blaadje van mijn boom
Neem een steeltje uit mijn struiken
En een deeltje uit mijn droom
Neem een nootje van mijn zingen
Neem een toets van mijn klavier
Neem de geur van mijn seringen
En een slokje van mijn bier
neem mijn woorden en mijn zwijgen
neem mijn luid en neem mijn stil
als ik maar van jou kan krijgen
wat ik zo graag hebben wil.
Vandaag is de dag
Vandaag is de dag
hij komt maar een keer,
morgen dan is het
vandaag al niet meer.
Niet zeuren, geniet
van het leven, het mag,
maar doe het vandaag,
want vandaag is de dag.
Geluk heeft niets te maken met bezit
Geluk heeft niets te maken met bezit,
niets met het verwerven van roem of eer.
Het is een vogel die zingend,
voorbij vliegt aan je hart.
Een kinderstem, of een vrouw
die glimlacht in haar slaap.
De warmte van een woord.
De weelde van klanken.
Avondappels onder een schemerlamp.
De rust van een warm huis,
in een koud landschap.
De geur van koffie.
Iemand hebben,
van iemand zijn.
Sneeuw, aan een behaaglijk raam.
De stilte van een verre weg,
onder de sterren.
Een oogopslag naar God.
Samenleving
Ingekapseld, opgesloten,
bang geworden voor elkaar,
trekt de stille tocht solisten
langs de drukke boulevard.
Ieder met z’n eigen dromen,
ieder met z’n eigen plan,
ieder met z’n eigen kinderen,
met z’n eigen vrouw of man.
Zoiets noem je ‘samenleving’,
flauwekul, vergeet het maar,
ingekapseld, opgesloten,
bang geworden voor elkaar.
Stil geluk
De momenten van stil geluk…
Ze duren maar heel even.
Je draait om… en ze zijn weg!
Dan vraag je je verdrietig af:
“Waar zijn ze gebleven”?
Die momenten van stil geluk duren veel te kort,
Maar het zijn gouden herinneringen,
wanneer je ouder wordt!
Wat at Ad
Ad at altijd zeer zorgvuldig
Altijd kauwde Ad geduldig
Noten, zonnepitten, granen
Alle dagen twee bananen
Bij wat onbespoten fruit
Blies hij zijn laatste adem uit
Dood
‘k Heb voor de dood al meer dan eens
een lief gedicht geschreven
ik neem hem wel eens op m’n schoot
hij hoort zo bij het leven
ik weet hoe bang ik was als kind
wat heb ik ‘m geknepen
hij was m’n vijand, nu mijn vrind
nu heb ik hem begrepen
hij heeft mij zijn geheim verteld
en zo ben ik m’n angst ontgroeid
voor mij is hij een open veld
waar hemelhoog het voorjaar bloeit
Denken
ik denk me blij
Ik denk me bang
Ik denk m’n dagen
kort of lang
maar waar ik
nooit aan heb gedacht
heeft mij vaak
geluk gebracht
Vierentwintig rozen
14 appelbomen in de zomerzon
7 dikke tranen op een bruidsjapon
15 zomersproetjes op een wang
2 enorme zoenen op de gang
en 36 liedjes waar ik veel van hou
en 24 rozen, 24 rozen, 24 rozen voor jou
15 mooie meiden in een boerenschuur
46 zieltjes voor het vagevuur
2 fanfares en een hoempapa
1 begrafenis met koffie na
en 4 papieren vilegers aan een touw
en 24 rozen, 24 rozen, 24 rozen voor jou
…..
Marie
…..
Jij draagt geen parels en geen briljanten
Geen zilvervossen maar wollen wanten
Je gaat niet dansen in een Givenchy japon
Je wint geen slalom en niet eens een Edison
Je zegt niet "sorry" en ook niet "darling"
Je eet geen oesters maar broodjes paling
Geen plek op aarde waar ik liever toeven zou
Dan in die armen van jou
Marie, Marie, Marie,
Je bent gewoon en toch zo prachtig
Marie, Marie, Marie,
Geen engel is zo engelachtig
…
Tonic ‘met’
het glas wat losjes in de hand
en met een sterk verhaal
relaxed, berekend, nonchalant
begaafd, vooral verbaal
zo staat hij lachend aan de bar
nog maar een tonic ‘et’
maar thuis komt straks de eenzaamheid
alleen op ’t lege bed
De wind
Wat is dat toch,
die wind …
die door de bomen gaat?
Ik weet
dat er geen tekst
geen melodie bestaat,
die zeggen kan wat zich in dit geluid verschuilt,
die wind… die wind,
wanneer hij fluistert, zucht of zachtjes huilt,
hoe schamel zijn de woorden
van mijn hulpeloos gerijm,
’t is beter stil te luisteren
naar dit ademend geheim…