Download document













BERCKMANS, J.M.H.



Rock & Roll met Frieda Vindevogel

…..
Je kan bediende worden. Of informaticus. of marketeer. Verkoper van varia en prullaria. Schrijnwerker. Tuinier. Lasser. Draaier. Bankwerker. Al wat je maar wil. Poen scheppen. Aan de weg timmeren. Carrière maken. Vooruitkomen in het leven. Je steekt je hand op en je vraagt of je ook schrijver kan worden. Stilte. Algemene ontzetting.

…..
Waarom lachen jullie? Waarom zingen jullie? Waarom hebben jullie maskers en feestneuzen opgezet en waarom hebben jullie vlaggen en wimpels en toeters en bellen meegebracht? Waarom hebben jullie al je zorgen in je plunjezak gestopt en waarom fluiten jullie? En wie denken jullie wel dat jullie zijn?

…..
Maar ik heb een broek en een jas en een overhemd en een onderhemd en een onderbroek en sokken en schoenen en een alpinopetje en zesentwintig boeken. En dat kan je van jullie niet beweren. Jullie hebben niks. Stront in jullie ogen. Dat is alles.

…..
Jullie kennen mij nog niet. Maar ik ken jullie wel. Ik weet wie jullie zijn. Jullie zijn de mannetjes en de vrouwtjes. De Rudy Senecauten en de Leo Vincken. De Michèle Duviviers en de Anita Verberckmoezen. (...) Jullie zijn de beunhazen. De driftkikkers. De mensapen. (...) Jullie zijn een zootje ongeregeld dat je verdomd goed in de gaten moet houden of het zet het hele land op stelten. (......) Jullie zijn Jan Lul en Jeanine Bosmans en Piet Snot en Sylvia Borremans. En ik ben Gerrit Matthijs. En ik moet jullie niet.

…..
En slapen jullie lekker bij jullie mannetjes en jullie vrouwtjes in jullie bedjes in jullie slaapkamertjes in jullie flatjes in een of andere gure straat in zo’n hedendaagse grootstad. Doen jullie maar. We zien wel. Wie het laatst lacht lacht het best.

…..


Het zomert in barakstad

…..
De tanende late namiddagzon van een uit klamme, kille regendagen plots wonderlijk ontsnapte, opgestegen, bevreemdend en verzachtend stralende herfstdag reikt door de ramen aan de straatkant nog tot bij hen, zet hen nog even in een heldere, smetteloze gloed, die spoedig tot schemering zal vertroebelen.

Op de achtergrond speelt nauwelijks waarneembare maar steeds weemoedige muziek.

Het meisje rookt met korte, verbeten rukjes van de lippen. De gaskamerman inhaleert langzaam, haalt diep adem, blaast de rook langzaam weer uit.

Wolken en lange slierten rook dwarrelen door het getemperde licht, hemelsblauw.

…..


De menagerie van de schamele drie

.....
Ma zeg ik nee schreeuw ik hoe hebt gij mij in u kunnen dragen en mij daarna onmiddellijk voorgoed verstoten. Ik zeg nee brul hoe hebt gij dat ooit kunnen doen. Hoe hebt gij mij het allereerste ogenblik kunnen verdoemen tot het dragen van mijn doornenkroon, ondersteboven, achterstevoren, binnenstebuiten. Het was niet moeilijk, zegt mijn ma, het was gemakkelijk, gij waart alleen maar een soort misbakken bruine nageboorte. Pa loeit tot de azalea bloeit in het diepst van z’n geheimenis. .....

…..


Taxi naar de Boerhaavestraat

…..
Voor het overige waren bijna alle Heiligen komen opdagen en JM had van het overschot van z’n dop voor melk en frisdrank en madeleintjes en borrelnootjes gezorgd zodat iedereen content was. Ouderling Hoskins en ouderling Lindow waren heel tevreden geweest over de organisatie. Broeder Decoo had een hele interessante uitleg gedaan over het leven na de dood, bij de eeuwige vader. Daarna hadden Guido en de dikke koe getuigenis afgelegd. Guido had het er nog redelijk afgebracht maar de dikke koe had een kwartier met haar mond vol tanden gezeten en ten slotte was broeder Van Tornhout er tussen gekomen en had dan maar zelf getuigenis afgelegd. Sonja Baekelandt zag er weer goed uit en de witte mens kon z’n ogen niet van haar af houden want Sonja Baekelandt zag er weer goed uit. Om elf uur stapte iedereen op. Om half twaalf komt toch die vreemde snoeshaan bellen, die Kamiel Vanhole uit Schaarbeek, die rare snuiter waar JM de laatste tijd mee optrekt. Die schrijver in de dop, die armoedzaaier. Hij was z’n lief gaan bezoeken in het zothuis van Sint-Antonius-Brecht, een zekere Lut van Dijck, die werkt daar, en daarna was hij van Brecht naar Turnhout gelift en toen had hij in het station gezien dat hij niet meer in Schaarbeek geraakte en daarom was hij met de laatste trein uit Turnhout naar JM komen afzakken. JM deed het woord en Kamiel luisterde aandachtig. Kamiel zegt nooit wat, Kamiel luistert alleen maar, en dat scheelt een stuk in de conversatie. Tegen half twee zakten ze af naar de Kring waar Carlos het om de een of andere reden aan de stok gekregen had met Mon de baron. Ze waren alle twee zat. De mannen van het kadaster zaten er nog en aan de toog hing alleen nog Luc Willemse met z’n zogenaamde secretaresse, die del van een Simone.

…..


Bericht uit klein Konstantinopel

….
Als Kristus Jesus al geboren is om de mens te bevrijden van z’n pijn en van de smart in z’n hart, laat mij Pafke dan geboren zijn en sterven om hem te verlossen van de Moloch, van Baal en Belzebub, van honger en dorst, van hitte en kou, van nacht en nevel, van storm en ontij.

…..
Het woord van God heb ik gehoord en het woord van God was prot. En wat hebt ge dan gezien, oh Pafke, oh meest komplete mafke

…..
Nadat ik op haar flat in de Wielewaalstraat in Wilrijk Lutgardis Maria Marcel van Dijck zes kogels uit m’n Walther PPK door haar kop geschoten had omdat ze me zonder voorafgaandelijke verwittiging had laten rotten op m’n kot wiste ik overal m’n vingerafdrukken af, het wijnglas, de theekop, de deurklink, en verliet het appartement. Niemand zag of hoorde me buitengaan. Iedereen was uit werken. Het was typisch zo’n flatgebouw waar iedereen ganse dagen uit werken was. In het zweet van hun aanschijn en ter meerdere glorie van de Maagd Maria. De moeder van god. Op zo’n flatje woonde ze, maar nu niet meer. Nu was ze foetsjie kapoetsjie. Nu had ze de tijdelijke beslommeringen van haar sociaal engagement eindelijk ingeruild voor het de eeuwige van de rijstebrij en het engelengezang. Al wenste ik haar een baantje toe in de hel. Slavin van Baal.

…..